Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
11-4443 ANW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:173, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ANW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Daarbij is van belang dat de in het kost- en inwoningscontract genoemde huurprijs van € 9,60 per maand voor het bed in de garage en het bedrag van € 70,00 per maand voor bijkomende kosten niet als een reële zakelijke vergoeding kan worden beschouwd voor hetgeen aan onderdak en verzorging wordt geboden. Tussen appellante en [V.] bestond dus een ongebruikelijke verbondenheid en een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie te boven gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4443 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 juli 2011, 10/977 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf april 2006 een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) (nabestaandenuitkering).

1.2. Bij brief van 30 maart 2009 heeft appellante de Svb gevraagd of zij haar werknemer in haar woning een slaapkamer met eigen toegang kan aanbieden zonder dat dit van invloed is op haar nabestaandenuitkering. Bij brief van 15 april 2009 heeft de Svb geantwoord dat appellante voor de Anw niet samenwoont wanneer zij een commerciële relatie heeft met een ander. Bij brief van 2 juni 2009 heeft appellante de Svb medegedeeld dat zij voornemens is om haar werknemer [V.] een bed te verhuren in de garage van haar woning. Bij deze brief is een tussen appellante en [V.] ondertekend kost- en inwoningscontract gevoegd.

1.3. De brief van appellante van 2 juni 2009 is voor de Svb aanleiding geweest om onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie van appellante. Het onderzoek heeft bestaan uit dossieronderzoek en een huisbezoek aan het adres van appellante, [adres], op 10 november 2009. Tijdens het huisbezoek is appellante gehoord. Appellante heeft deze verklaring per pagina ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 16 november 2009.

1.4. Bij besluit van 20 november 2009 heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 februari beëindigd, omdat uit het onderzoek is gebleken dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [V.]. Bij besluit van 5 maart 2009 heeft de Svb het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat de datum waarop de nabestaandenuitkering wordt ingetrokken is gewijzigd in 1 juni 2009. De reden hiervoor was dat onvoldoende is komen vast te staan dat [V.] ook in de periode van december 2007 tot 14 mei 2009 zijn hoofdverblijf had bij appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen voldoende grond voor de conclusie dat [V.] vanaf mei 2009 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante en dat sprake was van wederzijdse zorg, zodat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellante vanaf deze maand een gezamenlijke huishouding voerde. Door hiervan geen volledige melding te maken bij de Svb, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden en was de Svb gehouden om de nabestaandenuitkering in te trekken. Voorts is overwogen dat geen sprake is van dringende redenen die maken dat de Svb van intrekking van de nabestaandenuitkering had behoren af te zien.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft betoogd dat zij niet gehouden kan worden aan de verklaring die zij tijdens het huisbezoek tegenover de medewerkers van de Svb heeft afgelegd, omdat deze onder druk tot stand is gekomen en zij niet in staat is gesteld de verklaring te lezen alvorens deze te ondertekenen. Voorts is volgens appellante geen sprake van wederzijdse zorg en ligt aan de samenwoning met [V.] een zakelijke relatie ten grondslag. Appellante heeft ook aangevoerd dat zij niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat de Svb ervan op de hoogte was dat zij een bed in de garage verhuurde aan [V.]. Ook stelt appellante dat zij vier keer met de Svb heeft gebeld over de verhuur en dat haar toen van de zijde van de Svb is medegedeeld dat de inwoning van [V.] in orde was. Ten slotte heeft appellante een beroep gedaan op de aanwezigheid van dringende redenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voor zover hier van belang - is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder j, van de Anw. Ingevolge het tweede lid van artikel 16 van de Anw eindigt het recht met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

4.2. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. Voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, is de feitelijke woonsituatie doorslaggevend. Hiervoor is dus, anders dan waarvan appellante uitgaat, niet bepalend op welk adres iemand staat ingeschreven. Tussen partijen is niet langer in geschil dat [V.] ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante, zodat aan het eerste criterium is voldaan.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.1. De Svb heeft de conclusie dat sprake is van wederzijdse zorg gebaseerd op de feiten en omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen en op de door appellante tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring. Eerst ter zitting van het hoger beroep is appellante teruggekomen van de door haar afgelegde en ondertekende verklaring.

4.5.2. In het algemeen mag uitgegaan worden van de juistheid van een door een betrokkene afgelegde en ondertekende, in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal opgenomen verklaring, en wordt weinig betekenis toegekend aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. Geen aanleiding bestaat om daarover in dit geval anders te oordelen vanwege het feit dat appellante haar verklaring heeft afgelegd tegenover twee met het huisbezoek belaste medewerkers van de Svb. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat een uitzondering gemaakt moet worden op het algemene uitgangspunt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd en ondertekend. Dat appellante de op schrift gestelde verklaring niet heeft gelezen alvorens deze te ondertekenen, is hiervoor ook onvoldoende. Vergelijk de uitspraken van de Raad van 15 maart 2011, LJN BP9999 en 2 oktober 2012, LJN BX8852. Deze grond slaagt dus niet.

4.6.1. Appellante heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat zij en [V.] om beurten koken en ieder een gedeelte van de gezamenlijke boodschappen doen, dat [V.] een gedeelte van de boodschappen betaalt en dat zij gezamenlijk eten. Voorts heeft appellante verklaard dat zij en [V.] klusjes in en rondom de woning doen, dat [V.] de was en het strijkwerk doet voor appellante, haar kinderen en zichzelf en dat zij samen op vakantie zijn geweest, die appellante heeft betaald. [V.] vangt de kinderen van appellante op als zij niet thuis is en verzorgt hen dan ook. Ook heeft appellante verklaard dat [V.] een levensverzekering heeft afgesloten waarbij appellante als begunstigde is aangewezen.

4.6.2. Gelet op deze verklaring heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Daarbij is van belang dat de in het kost- en inwoningscontract genoemde huurprijs van € 9,60 per maand voor het bed in de garage en het bedrag van € 70,00 per maand voor bijkomende kosten niet als een reële zakelijke vergoeding kan worden beschouwd voor hetgeen aan onderdak en verzorging wordt geboden. Tussen appellante en [V.] bestond dus een ongebruikelijke verbondenheid en een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie te boven gaat. Vergelijk de uitspraak van de Raad van

6 maart 2012, LJN BV7980.

4.6.3. Hetgeen onder 4.6.1 en 4.6.2 is overwogen voert tot de conclusie dat appellante en [V.] blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.7. Gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.6 is overwogen, stelt de Svb zich op goede gronden op het standpunt dat appellante en [V.] vanaf mei 2009 een gezamenlijke huishouding voerden. Dat het opstarten van een gezamenlijke begrafenisonderneming ten grondslag heeft gelegen aan de gezamenlijke huishouding, is niet van belang voor deze beoordeling. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 24 december 2008, LJN BH0363.

4.8. Ingevolge artikel 35 van de ANW, voor zover hier van belang, dient de nabestaande op verzoek of uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. Onder de omstandigheden waaronder [V.] bij appellante is komen wonen en zoals die zijn weergegeven in rechtsoverweging 4.6, mocht appellante er niet van uit gaan dat zij aan haar inlichtingenverplichting had voldaan door enkel aan de Svb te melden dat zij een bed aan [V.] verhuurde in de garage van haar woning. Zij had ook de overige omstandigheden, zoals vermeld onder 4.6.1 moeten meedelen. Appellante is dan ook niet volledig geweest in de informatie die zij aan de Svb heeft verstrekt over de inwoning van [V.] bij haar en heeft hiermee de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De Svb was dan ook gehouden om ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid in verbinding met artikel 34, eerste lid, onder a, van de Anw, de nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 juni 2009 in te trekken. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt, hetgeen door de Svb betwist is, dat telefonisch een ongeclausuleerde en ondubbelzinnige mededeling is gedaan waaruit appellante mocht afleiden dat de Svb instemde met de inwoning van [V.] in de onder 4.6.1 genoemde omstandigheden.

4.9. Appellante heeft een beroep gedaan op de aanwezigheid van dringende redenen. Zij voert aan dat de Svb eerder op haar brief van 15 juni 2009 had moeten reageren. Dat de Svb niet direct heeft gereageerd op de brief van 15 juni 2009, maakt niet dat appellante hieruit mocht afleiden dat de Svb akkoord zou zijn gegaan met de door haar omschreven woonsituatie en dat de inwoning van [V.] geen gevolgen zou hebben voor haar nabestaandenuitkering. Daargelaten voorts dat reeds op 6 oktober 2009 is geprobeerd om bij appellante een huisbezoek af te leggen, is ook de periode gelegen tussen 15 juni 2009 en het uiteindelijke huisbezoek van 10 november 2009 niet dusdanig lang dat de Svb geen gebruik meer zou mogen maken van zijn intrekkingsbevoegdheid. Deze grond slaagt evenmin.

4.10. Uit hetgeen onder 4.5, 4.8 en 4.9 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.H.L.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(get.) O.H.L.W.I. Korte

(get.) R. Scheffer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.