Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
07-12-2012
Zaaknummer
12-3458 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking van de aanwijzing voor deelname aan de bergtraining. Tijdens ziekte van appellant kon de commandant in die afwezigheid voldoende reden vinden voor twijfel aan de inzetbaarheid van appellant op het moment van vertrek. De stelling van appellant dat hij om andere redenen van de lijst is gehaald, heeft hij niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3458 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 mei 2012, 10/7996 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commandant Zeestrijdkrachten (commandant)

Datum uitspraak: 6 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door A.G. van Son. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Braggaar en mr. T.A. Groenewoud-Kralt.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, destijds [naam functie], was geplaatst als [naam functie B.] bij het [naam Bataljon], waaraan de rang matroos/marinier 1e klasse is verbonden.

1.2. Appellant stond op de nominatie voor deelname aan een bergtraining in Noorwegen in de periode van 13 mei 2010 tot 26 juni 2010. Op 3 mei 2010 is hem meegedeeld dat hij niet mee zou gaan met de bergtraining. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2010 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Appellant meent dat de intrekking van de aanwijzing voor deelname aan de bergtraining is geschied om andere redenen dan aangegeven in het bestreden besluit. Hij voelt zich onheus bejegend en wenst vergoeding van de misgelopen oefentoelagen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De intrekking berust blijkens het bestreden besluit op de grond dat appellant voorafgaand aan de periode waarin de bergtraining zou worden gehouden regelmatig afwezig was wegens ziekte, zodat aan zijn daadwerkelijke inzet twijfel bestond. Gelet op het belang van een volledig bemande en geoefende eenheid is appellant uiteindelijk vervangen.

4.2. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat dit besluit niet onredelijk is en dat appellants belang bij deelname niet zwaarder heeft moeten wegen dan het belang van de commandant bij een volledig inzetbare eenheid. Appellant heeft niet ontkend dat hij van 1 februari tot 26 februari 2010 en van 20 april tot 3 mei 2010 afwezig was wegens ziekte. Nog afgezien van de aard van de ziekte (oorontsteking en in de tweede periode het ontdaan zijn over bepaalde mededelingen met betrekking tot de loopbaan van appellant) kon de commandant in die afwezigheid voldoende reden vinden voor twijfel aan de inzetbaarheid van appellant op het moment van vertrek. De stelling van appellant dat hij om andere redenen van de lijst is gehaald, heeft hij niet aannemelijk gemaakt.

4.3. Zoals ter zitting is besproken zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit niet van belang de andere zaken die appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zoals de voortdurende onvrede met zijn werk, de gemiste uitzendingen naar Dubai en naar Kunduz en zijn stelling dat hem een functie moet worden toegewezen als chef kok. Deze kwesties, die bij de rechtbank aan de orde zijn geweest in het kader van een mogelijke andere oplossing van het geschil, vallen buiten de omvang van dit geding, dat uitsluitend de bergtraining naar Noorwegen omvat.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) M.R. Schuurman

HD