Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5472

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
07-12-2012
Zaaknummer
11-6393 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Het plichtsverzuim is gebaseerd op het niet opvolgen van twee dienstopdrachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/77

Uitspraak

11/6393 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2011, 11/184 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant]s te [woonplaats] (appellant)

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 6 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.E.M. Vermeij, advocaat. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was aangesteld als [naam functie A.] bij de dienst [naam dienst].

1.1. Appellant heeft zich na een tweetal perioden van ziekteverzuim in 2009 op 21 augustus 2009 opnieuw ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft de bedrijfsarts appellant onderzocht en bij advies van 15 september 2009 appellant geschikt geacht voor volledige werkhervatting in het eigen werk voor 13,5 uur per week. Er is geen sprake van objectieve beperkingen die werkhervatting in de weg staan. Op 24 september 2009 heeft de Commissie van Drie dit advies van de bedrijfsarts bevestigd.

1.2. Na een werkhervatting van drie werkdagen heeft appellant zich op 2 oktober 2009 opnieuw ziek gemeld. De leidinggevende van appellant heeft deze ziekmelding niet geaccepteerd en appellant opgedragen om op 5 oktober 2009 te komen werken. Appellant heeft dit geweigerd. Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft de leidinggevende van appellant de dienstopdracht schriftelijk bevestigd.

1.3. Op 5 oktober 2009 is appellant - na telefonische afmelding bij zijn leidinggevende - niet op het werk verschenen. Bij besluit van diezelfde datum heeft de korpsbeheerder de loonbetaling van appellant gestaakt over de periode dat appellant opzettelijk heeft nagelaten zijn dienst te verrichten.

1.4. Op 12 oktober 2009 heeft de korpsbeheerder, naar aanleiding van het advies van de arbeidsdeskundige en de bedrijfsarts van diezelfde datum, een tweede dienstopdracht om te komen werken aan appellant opgelegd. Ook aan deze opdracht heeft appellant geen gehoor gegeven.

1.5. Op 22 oktober 2009 heeft de verzekeringsarts na onderzoek bevestigd dat appellant in staat moet worden geacht zijn werkzaamheden te verrichten. De toegestane werkduur is vastgesteld op ongeveer tien uur per week. Dit advies is door het Uwv in de brief van 14 april 2010 kenbaar gemaakt aan partijen.

1.6. Op 30 oktober 2009 heeft de bedrijfsarts de medische situatie van appellant nogmaals beoordeeld. Hij heeft appellant medisch gezien onveranderd in staat geacht voor het uitvoeren van zijn eigen werk.

1.7. Bij besluit van 10 mei 2010 heeft de korpsbeheerder primair op grond van artikel 77, eerste lid, onder j, in samenhang met artikel 82 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) aan appellant de disciplinaire straf van ontslag opgelegd en subsidiair op grond van artikel 94, eerste lid, onder g, en tweede lid, van het Barp aan appellant ontslag verleend wegens het ontberen van de geschiktheid voor het door appellant beklede ambt.

1.8. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 2 oktober 2009, 5 oktober 2009, 12 oktober 2009 en 10 mei 2010 is bij besluit van 30 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Appellant heeft aangevoerd dat zijn leidinggevende zijn ziekmelding op 2 oktober 2009 niet had mogen weigeren, maar hem had moeten doorverwijzen naar de bedrijfsarts. Appellant heeft weliswaar bij zijn ziekmelding verklaard dat deze betrekking had op dezelfde klachten die hij sinds 2003 heeft, echter deze klachten waren verergerd.

3.2. De Raad volgt appellant hierin niet. Ingevolge paragraaf 4.4 van het Dienstvoorschrift ziekteverlof en re-integratie van de politie Amsterdam-Amstelland (dienstvoorschrift) bepaalt de leidinggevende of hij het verzoek om ziekteverlof honoreert. Verder heeft de korpsbeheerder naar voren gebracht dat de reden appellant een dienstopdracht te geven niet zozeer het gesprek op 2 oktober 2009 was, maar de resultaten uit de onderzoeken van de bedrijfsarts en de Commissie van Drie op 15 en 24 september 2009, waaruit was gebleken dat er geen objectieve beperkingen te duiden waren die werkhervatting in de weg zouden staan. Daarnaast heeft appellant tijdens de ziekmelding op 2 oktober 2009 aangegeven dat zijn klachten van dezelfde aard waren als de klachten die hij sinds 2003 heeft. Dat er sprake was van een verergering had de leidinggevende op dat moment niet van appellant begrepen. Gelet op het dienstvoorschrift, de resultaten van de onderzoeken op 15 en 24 september 2009 en het gesprek op 2 oktober 2009 waarin appellant in ieder geval heeft aangegeven dat zijn ziekmelding dezelfde soort klachten betrof als welke hij sinds 2003 had, heeft de leidinggevende de ziekmelding van appellant niet ten onrechte geweigerd. Nu appellant slechts heeft gesteld maar in geen enkel opzicht aannemelijk heeft gemaakt dat zijn klachten sinds de onderzoeken van 15 en 24 september 2009 waren verergerd en hij daardoor in het geheel niet in staat was om te werken, heeft de korpsbeheerder appellant in redelijkheid kunnen opdragen zijn werk te hervatten. De beroepsgrond slaagt niet.

3.3. Uit het vorenstaande volgt ook dat de korpsbeheerder, gelet op het bepaalde in artikel 5 van het Besluit bezoldiging politie, terecht tot inhouding van de bezoldiging heeft besloten.

3.4. Appellant heeft verder aangevoerd dat uit het e-mailbericht van de arbeidsdeskundige van 13 oktober 2009 blijkt dat het gesprek tussen de bedrijfsarts en appellant heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Nu het besluit tot de tweede dienstopdracht, dat is gebaseerd op het advies van de arbeidsdeskundige, is genomen op 12 oktober 2009, is er in dit besluit een voorschot genomen op de uitkomst van het gesprek tussen de bedrijfsarts en appellant en dat is onzorgvuldig.

3.5. Ter zitting heeft de korpsbeheerder gemotiveerd aangegeven dat de arbeidsdeskundige op 12 oktober 2009 een telefonisch gesprek met appellant heeft gevoerd waarna ze diezelfde dag een gesprek met de bedrijfsarts heeft gehad. De resultaten van deze gesprekken heeft de arbeidsdeskundige in een e-mailbericht van 13 oktober 2009 neergelegd. Deze werkwijze is niet ongebruikelijk. De Raad acht een en ander niet onaannemelijk en volgt de korpsbeheerder in zijn standpunt dat de gesprekken met de arbeidsdeskundige op 12 oktober 2009 hebben plaatsgevonden, zodat de resultaten van deze gesprekken aan het besluit van 12 oktober 2009 ten grondslag konden worden gelegd. De beroepsgrond slaagt niet. Overigens zij opgemerkt dat de arbeidsdeskundige en de bedrijfsarts adviseren om de ziekmelding van appellant van

2 oktober 2009 niet te accepteren. Ook dit advies is door appellant niet gemotiveerd weerlegd noch is onderbouwd dat sprake is van een verergering van de klachten sinds 24 september 2009. De korpsbeheerder heeft dan ook in redelijkheid appellant op 12 oktober 2009 kunnen opdragen zijn werk te hervatten.

3.6. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de twee dienstopdrachten ten onrechte aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd en dat het ontslag daardoor onrechtmatig is. De brief van het Uwv van 14 april 2010 is een bevestiging voor het standpunt van appellant dat zijn klachten waren verergerd.

3.7. De korpsbeheerder heeft het plichtsverzuim gebaseerd op het niet opvolgen van de twee dienstopdrachten van 2 en 12 oktober 2009. Zoals hierboven reeds is overwogen heeft de korpsbeheerder beide keren in redelijkheid appellant kunnen opdragen zijn werk te hervatten. Nu appellant aan beide opdrachten geen gehoor heeft gegeven zonder geldige reden heeft de korpsbeheerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van plichtsverzuim. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat dit plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend. Voorts is het strafontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. De brief van het Uwv van 14 april 2010 is veeleer een bevestiging van het standpunt van de korpsbeheerder dat in oktober 2009 sprake was van een situatie waarin appellant -in ieder geval voor 10 uur per week- in staat moest worden geacht zijn werkzaamheden te verrichten, en dat hij niet weg had mogen blijven. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

3.8. Nu het besluit tot disciplinair ontslag stand kan houden, komt de Raad niet toe aan de beoordeling van het ontslag dat is verleend wegens het ontberen van de geschiktheid voor het door appellant beklede ambt.

4. Dit alles betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2012.

(getekend) K. Zeilemaker

(getekend) M.R. Schuurman

HD