Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5470

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
11-5058 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geen recht op een WAO-uitkering. Het nadeel dat de medische situatie ten tijde van de WAO-verzekering door de late aanvraag mogelijk niet meer met zekerheid is vast te stellen, komt voor rekening en risico van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5058 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2011, 10/6300 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2012.

Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.1. Appellant heeft bij aanvraag van 11 augustus 2008 het Uwv verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.

2.2. Bij bestreden besluit van 19 november 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 februari 2010 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit stelt het Uwv zich op het standpunt dat appellant geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat hij niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest vanaf 1 juni 1993, 7 juli 1993 of 12 juli 1993.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2004, LJN AO9259) komt het nadeel dat de medische situatie ten tijde van de WAO-verzekering door de late aanvraag mogelijk niet meer met zekerheid is vast te stellen, voor rekening en risico van appellant. Appellant heeft - kort samengevat - niet aannemelijk gemaakt dat hij zich ook na 24 november 1993 bij de Caisse National de la Securite Sociale (CNSS) heeft gemeld of aannemelijk gemaakt dat hij ook na 18 december 1993 arbeidsongeschikt is geweest. Uit de verklaringen van behandelend arts dr. J.J.E. Bouhaddou uit 2009 en 2010, van dr. Jilali Ouafiki uit 1993 en de uitnodigingen van CNSS uit 1993 voor een onderzoek, blijkt niet dat appellant sinds 12 juli 1993 klachten heeft gehouden en hieruit kan worden afgeleid dat hij vanwege die klachten 52 weken arbeidsongeschikt is geweest vanaf 1 juni 1993, 7 juli 1993 of 12 juli 1993.

4. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat hij medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij sinds juli 1993 onder behandeling is vanwege chronische hoofdpijn, duizelingen, buikpijn en angstige depressie. Hieruit komt voldoende naar voren dat hij sindsdien arbeidsongeschikt is. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij 14 ‘reçu du pieces’ van de CNSS uit 1993 en 1994, een al eerder overgelegde brief van het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan (GUO) van 13 februari 1995 en een afwijzing van een visum op 5 december 1995, overgelegd.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen zijn juist. Ook uit de stukken die appellant in hoger beroep heeft overgelegd blijkt niet dat hij de destijds vereiste wachttijd van 52 weken ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WAO, heeft volgemaakt. Deze stukken weerleggen de brief van 13 februari 1995 van de GUO aan appellant niet, waarin wordt vermeld dat vanaf januari 1994 geen rapporten meer zijn ontvangen van de CNSS en dat appellant arbeidsgeschikt wordt geacht. Daarnaast heeft appellant destijds geen bezwaar gemaakt tegen de weigering van de GUO om hem per 12 juli 1993 een uitkering ingevolge de Ziektewet te verstrekken.

5.3. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2012.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) K.E. Haan

JvC