Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
11-6992 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van weigering Wajong-uitkering. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging. De situatie op de arbeidsmarkt is geen reden om tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6992 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 november 2011, 11/25 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 7 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2012. Appellant is verschenen, vergezeld van zijn vader en bijgestaan door mr. Dieters. Namens het Uwv is verschenen mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 7 november 2007 heeft het Uwv geweigerd om appellant per 12 oktober 2007 een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten (WAJONG) toe te kennen omdat hij per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is geacht. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

2.1. Op 13 augustus 2010 heeft appellant het Uwv verzocht om op grond van nieuwe feiten of omstandigheden terug te komen van het besluit van 7 november 2007.

2.2. Bij besluit van 15 september 2010 heeft het Uwv het verzoek afgewezen.

2.3. Bij besluit van 3 december 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2010 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort samengevat - overwogen dat de door appellant ingebrachte medische informatie terecht niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aangemerkt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 februari 2010, LJN: BL1958, slaagt niet. Het betreft in dezen geen gelijk geval.

4. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt dat er wel degelijk sprake is van nieuwe feiten herhaald. Appellant heeft opnieuw verwezen naar de in 3 genoemde uitspraak en hij beroept zich op een toezegging van de arbeidsdeskundige van het Uwv. Daarnaast heeft appellant aangegeven dat de situatie op de arbeidsmarkt op dit moment niet goed is en dat, als appellant een WAJONG-uitkering heeft, het voor werkgevers aantrekkelijker is om hem in dienst te nemen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

5.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 7 november 2007 vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of een veranderde omstandigheid.

5.3.2. Met betrekking tot de verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 februari 2010, LJN: BL1958, heeft de rechtbank met juistheid en op de juiste gronden geoordeeld dat deze uitspraak ziet op een ander feitencomplex.

5.3.3. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel kan slagen indien sprake is van een uitdrukkelijke schriftelijke ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging op grond waarvan een in rechte te honoreren verwachting is gewekt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er in dit geval geen sprake is van een dergelijke onvoorwaardelijke toezegging.

5.3.4. De situatie op de arbeidsmarkt is geen reden om tot een ander oordeel te komen. De wet biedt geen aanknopingspunten om op grond hiervan een WAJONG-uitkering toe te kennen. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellant dat het aantrekkelijker is voor werkgevers om iemand met een WAJONG-uitkering aan te nemen.

5.4. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.3.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.J. van Gendt

QDH