Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
07-12-2012
Zaaknummer
09-6985 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BK6184, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De functie van appellant kan niet als bezwarend worden aangemerkt. Het college heeft daarbij het aantal uitrukken waarbij de inzet van appellant bij de daadwerkelijke brandbestrijding werd gevraagd en de feitelijke inhoud van zijn werkzaamheden bepalend geacht. Gelet op het lage aantal uitrukken en het gegeven dat appellant in zijn functie bij een uitruk in de eerste plaats coördinerende en leidinggevende werkzaamheden verrichtte en slechts incidenteel deelnam aan de fysieke brandbestrijding of hulpverlening, is de functie als niet bezwarend aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/76

Uitspraak

09/6985 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 2009, 09/939 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. van der Ham hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, advocaat, en S. Hagen-Peters. Op verzoek van het college is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige], wonende te [woonplaats]

OVERWEGINGEN

1.1 Appellant was sinds 1 augustus 2001 aangesteld als [naam functie] in de voormalige gemeente Kesteren, thans de gemeente Neder-Betuwe. Bij het vervullen van deze functie bestond uitzicht op functioneel leeftijdsontslag (FLO) bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd. Met ingang van 1 juni 2004 is appellant gedetacheerd bij de regionale brandweer [naam regio] en is daar ingezet als [naam functie B.] ([functie B.]) en later als [naam functie C.] ([functie C.]) of [functie C.]

1.2. In de gemeentelijke CAO 2005-2007 is overgegaan tot afschaffing van het FLO per

1 januari 2006 en invoering van een nieuw stelsel voor werknemers in bezwarende functies. Daarbij is voor personeel dat op het moment van het vervallen van het FLO werkzaam was in een zogenoemde FLO-functie overgangsrecht afgesproken. De uitwerking hiervan is neergelegd in hoofdstuk 9b van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkings-overeenkomst (CAR/UWO). Afhankelijk van het antwoord op de vraag of een ambtenaar al dan niet in een bezwarende functie werkzaam is, geldt voor hem een gunstig dan wel een minder gunstig overgangsrecht ingevolge hoofdstuk 9b van de CAR/UWO (overgangsrecht). Vanwege de sterke verschillen in het takenpakket van de functie van [functie C.] en van de functie van [functie B.] per korps hebben de sociale partners bij de CAO-onderhandelingen ervoor gekozen om lokaal te laten vaststellen of sprake is van een bezwarende functie.

1.3. Bij brief van 20 september 2007 heeft het college in het kader van de beoogde overgang van appellant naar de regio aan hem meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor het gunstige FLO-overgangsrecht.

1.4. Na een voornemen daartoe heeft het college bij besluit van 22 juli 2008 de functie van appellant niet als een bezwarende functie als bedoeld in artikel 9b:2, aanhef en onder b, van de CAR/UWO aangemerkt. Het college heeft daarbij het aantal uitrukken waarbij de inzet van appellant bij de daadwerkelijke brandbestrijding werd gevraagd en de feitelijke inhoud van zijn werkzaamheden bepalend geacht. Gelet op het lage aantal uitrukken en het gegeven dat appellant in zijn functie bij een uitruk in de eerste plaats coördinerende en leidinggevende werkzaamheden verrichtte en slechts incidenteel deelnam aan de fysieke brandbestrijding of hulpverlening, is de functie als niet bezwarend aangemerkt.

2. Bij besluit van 30 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant voldoet aan de algemene toelatingscriteria voor het FLO-overgangsrecht ingevolge artikel 9b:1 van de CAR/UWO. In hoger beroep is slechts de vraag aan de orde of de functie van appellant terecht niet als bezwarend is aangemerkt.

4.2. Ingevolge artikel 9b:2, aanhef en onder b, van de CAR/UWO wordt voor de toepassing van het overgangsrecht onder bezwarende functie verstaan: een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten. Een functie kan pas als bezwarend worden aangemerkt als voldaan is aan alle criteria. De enkele verhoogde kans op gezondheidsklachten is daartoe niet voldoende. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 8 september 2011, LJN BS1694.

4.3. Verder is, anders dan appellant heeft gesteld, voor de vaststelling van de bezwarendheid van zijn functie de historie van zijn loopbaan niet van belang. Omdat appellant op 1 januari 2006 niet meer dan 20 dienstjaren had, is voor de vraag welk overgangsrecht van toepassing is slechts bepalend de functie die hij op 31 december 2005 vervulde en of deze functie als een bezwarende functie wordt aangemerkt.

4.4. Op 31 december 2005 was appellant [naam functie] en vanuit die functie gedetacheerd om piketdiensten bij de regio te draaien. Ter voorkoming van dubbele diensten was appellant niet langer [functie B.] in de gemeente Neder-Betuwe. Daardoor was zijn uitrukfrequentie aanzienlijk verlaagd. Appellant was per vier weken gedurende één week voor piketdienst ingedeeld. Appellant verrichtte in die functie op een zekere afstand van het incident leidinggevende en coördinerende werkzaamheden voor de eenheden die betrokken zijn bij brand- en rampbestrijding. Voorts verrichtte hij adviserende werkzaamheden indien sprake was van een ongeval met gevaarlijke stoffen, waarvoor het dragen van beschermende kleding en een persluchtmasker soms noodzakelijk was. Niet is gebleken dat hij zich bezig hield met repressieve brandweertaken, zoals tijdens de uitrukken ladders beklimmen, brandende percelen betreden en zware brandweerslangen hanteren. De fysieke belasting tijdens de uit de piketdienst voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk is van een andere, veel beperktere aard dan die van de uitvoerende brandweerlieden, hetgeen ook door de door de Raad ter zitting gehoorde getuige Van Ommen is bevestigd. Gelet op deze werkzaamheden en het lage aantal uitrukken is er geen hoge belasting met een verhoogde kans op gezondheidsklachten.

4.5. Appellant heeft voorts gesteld dat de functie wel bezwarend is door de psychische en emotionele belasting. De Raad onderkent dat de werkzaamheden van appellant een zekere psychische druk met zich brengen, maar die behoren bij de leidinggevende functie en zijn niet in de eerste plaats gerelateerd aan de directe brandbestrijding. Dat appellant soms geconfronteerd wordt met situaties waarin (dodelijke) slachtoffers vallen, is zonder meer ingrijpend te noemen, maar dat is in het licht van de andere aspecten niet doorslaggevend. Uit het Coronel-rapport van juli 2006 waarnaar appellant heeft verwezen ter onderbouwing van zijn standpunt blijkt dat, anders dan bij de fysieke belasting, het psychisch verwerkingsvermogen van een brandweerman niet afneemt door het bereiken van een hogere leeftijd. De Raad verwijst verder, wat de mentale belasting in de functie [functie C.] betreft, naar de uitspraak van 19 mei 2011, LJN BQ7244.

4.6. Ten slotte heeft appellant gesteld dat de functie als bezwarend zou moeten worden aangemerkt op grond van hetgeen bij de aanstelling in 2001 is overeengekomen. Dat appellant op dat moment heeft bedongen dat op zijn functie de FLO-regeling van toepassing zou zijn, maakt niet dat de functie van appellant op 31 december 2005 als een bezwarende functie dient te worden aangemerkt. De FLO-regeling is immers per 1 januari 2006 afgeschaft en een nieuw stelstel met overgangsrecht is van kracht geworden. Dat is ook van toepassing op de functie van appellant. Niet is gebleken dat het college bij de aanstelling aan appellant heeft toegezegd dat toekomstige (negatieve) ontwikkelingen niet op hem van toepassing zouden zijn. Bovendien houdt het feit dat appellant voorheen uitzicht had op een gunstigere regeling niet in dat sprake is van verkregen rechten die niet zouden mogen worden aangetast.

4.7. Gelet op het vorenstaande kan de functie van appellant niet als bezwarend worden aangemerkt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.N.A. Bootsma en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD