Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
12-1782 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Onvoldoende deugdelijke onderbouwing voor de stelling van betrokkene, dat hij om medische redenen niet in staat is de reis naar Nederland te maken om een noodzakelijk geacht observatieonderzoek te ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1782 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2012, 11/986 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.]

Datum uitspraak 7 december 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Houtsma. Voor betrokkene is verschenen mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 15 maart 2011 (bestreden besluit) heeft appellant, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 27 oktober 2010, waarbij appellant heeft geweigerd betrokkene, op diens verzoek van onder andere 29 juli 1999, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld, omdat betrokkene niet heeft meegewerkt aan een in Nederland gepland medisch onderzoek. Appellant heeft het bestreden besluit doen steunen op verzekeringsgeneeskundige rapporten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant en beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

2.1. De rechtbank heeft betrokkenes beroepsgrond gehonoreerd dat hij, gezien door hem overgelegde verklaringen van de hem in Marokko behandelend arts, niet voor onderzoek naar Nederland kan reizen. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts van appellant voldoende en duidelijk heeft gemotiveerd waarom een nader medisch onderzoek in de vorm van opname van betrokkene voor observatie noodzakelijk is om het recht op uitkering vast te stellen. Zij heeft echter geoordeeld dat appellant ten onrechte heeft volstaan met dossieronderzoek voor het antwoord op de vraag of betrokkene in staat is om van zijn woonplaats in Marokko naar Nederland te reizen. Er had volgens de rechtbank door appellant contact moeten worden opgenomen met de behandelend psychiater van betrokkene, omdat deze ten aanzien daarvan een afwijkend standpunt heeft ingenomen. De behandelend psychiater heeft kennis van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank voorts ten onrechte niet bekeken of medisch onderzoek eventueel in Marokko kan plaatsvinden.

2.2. Daarom achtte de rechtbank het bestreden besluit genomen in strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Het hoger beroep is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank weergegeven onder 2.1 en 2.2 en de daaruit gevolgde beslissingen van de rechtbank. Appellant bestrijdt, onder verwijzing naar het rapport van 6 maart 2012 van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, het oordeel van de rechtbank dat hij met betrekking tot de reisvaardigheid van betrokkene contact had moeten opnemen met diens behandelend psychiater. Volgens appellant is uit de door betrokkene in het geding gebrachte verklaringen niet gebleken dat zijn klachten daartoe aanleiding geven. Observatieonderzoek in Nederland is door appellants verzekeringsartsen medisch noodzakelijk geacht als vervolg op het reeds op verzoek van appellant op 7 oktober 2009 in Nederland verrichte onderzoek van betrokkene door psychiater W.M.J. Hassing. Daarom ook hoefde appellant niet te bezien of een dergelijk onderzoek in Marokko zou kunnen plaatsvinden.

4. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant voldoende heeft gemotiveerd waarom nader medisch onderzoek in de vorm van opname voor observatie noodzakelijk is om het recht op uitkering te kunnen vaststellen.

5.2. Bezwaarverzekeringsarts Koek heeft in haar rapport van 6 maart 2012 nader medisch onderbouwd dat dit observatieonderzoek in Nederland dient plaats te vinden. Gezien een eerdere oproeping en onderzoek in Nederland, dat heeft geresulteerd in rapporten van appellants verzekeringsartsen en het vermelde rapport van psychiater Hassing, is appellant van oordeel dat dit aanvullende onderzoek in Nederland dient plaats te vinden. Die onderbouwing van het standpunt van appellant is deugdelijk.

5.3. Appellant heeft zich voorts op goede grond op het standpunt gesteld dat er voor betrokkene geen medische reden was om geen gehoor te geven aan de oproeping voor nader onderzoek in Nederland. De motivering van verzekeringsarts T. Njoo in diens rapport van 14 oktober 2010 en die van bezwaarverzekeringsarts Koek in haar rapport van 23 februari 2011 is daarvoor toereikend. In de door betrokkene overgelegde medische verklaringen van artsen te Marokko over de periode van 1998 tot 2008 is steeds dezelfde diagnose genoemd: terugkerende depressieve stoornissen met melancholische kenmerken, gepaard gaande met somatische klachten en hypochondrie. In de door behandelend psychiater S. Talhaoui gegeven verklaringen, die ter onderbouwing van het standpunt van betrokkene dat hij niet naar Nederland kan reizen zijn overgelegd, wordt geen ander klachtenbeeld of diagnose vermeld. Weliswaar heeft psychiater Talhaoui op 11 februari 2010 geschreven dat betrokkene, gezien zijn actuele gezondheidstoestand, niet over lange afstanden kan reizen, maar betrokkene zelf verklaart zich bereid, en voelt zich dus in staat, om onder begeleiding naar Nederland te komen voor onderzoek, gelijk hij in oktober 2009 heeft gedaan. In de verklaring van Talhaoui van 28 mei 2010 - welke inhoudelijk volledig gelijk is aan de verklaring van 11 februari 2010 - is gesteld dat betrokkene niet naar Nederland kan reizen.

Dit laatste overtuigt niet in het licht van de eerdere bereidverklaring van betrokkene naar Nederland te komen. De verklaringen van Talhaoui van 21 september 2010 zij wederom inhoudelijk gelijk aan zijn verklaringen van 11 februari 2010 en 28 mei 2010, er blijkt niet een verslechtering uit van betrokkenes gezondheidstoestand, en overtuigt derhalve evenmin op het punt van zijn oordeel over de reisvaardigheid van betrokkene. Eerst in een op naam van Talhaoui gestelde e-mail van 12 december 2010 wordt geschreven dat de klachten van betrokkene fors zijn verergerd. Dit is, gezien de teneur van de verklaringen van Talhaoui, alsmede het eerder kenbaar gemaakt standpunt van betrokkene zelf, een onvoldoende deugdelijke onderbouwing voor de stelling van betrokkene, dat hij om medische redenen niet in staat is de reis naar Nederland te maken om een noodzakelijk geacht observatieonderzoek te ondergaan. Verder weegt ten voordele van de stellingen van appellant het gegeven mee dat niet is gebleken dat betrokkene gezondheidsschade heeft ondervonden van de reis naar Nederland in oktober 2009. Bij een min of meer stationair beeld valt het opnieuw maken van de reis dan ook van betrokkene te vergen.

5.4. Nu is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 30a van de WAO en die toepassing ook overigens de rechterlijke toetsing kan doorstaan heeft de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte niet in stand gelaten.

5.5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen dat besluit ongegrond worden verklaard

6. Er is geen aanleiding een der partijen te verwijzen in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 15 maart 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J. R. Baas

QDH