Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
07-12-2012
Zaaknummer
10-4768 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Appellant heeft in bezwaar een precisering gegeven van de periode waarin hij werkzaamheden heeft verricht. Het college heeft ter zitting verklaard dat zij in het bestreden besluit niet voorbij had kunnen en moeten gaan aan deze precisering. De Raad ziet hierin grond voor de conclusie dat over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de herziening van de bijstand van appellant en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Er moet een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag over de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2008 worden gemaakt op basis van gegevens waarover het college de beschikking heeft. Deze berekening is tevens van belang in de ter zitting gevoegd behandelde zaak met reg.nr. 10/6012, waarin een maatregel wegens schending van de inlichtingenverplichting aan de orde is. Nieuw besluit op bezwaar. Daarbij dient het college tevens een beslissing te nemen op het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4768 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 juli 2010, 10/96 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. de Waard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 10/6012 WWB. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Waard en de heer J.W. Voskamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Hopman. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 20 december 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Vanwege het feit dat appellant bij de Kamer van Koophandel geregistreerd bleek te staan als directeur van het bedrijf [naam bedrijf n.v.] en omdat daarnaast het vermoeden bestond dat appellant geen opgave had gedaan van inkomsten uit werkzaamheden, heeft het bureau Fraudebestrijding van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dit kader heeft het college bij brief van 25 januari 2008 aan appellant verzocht nadere informatie te verstrekken over het bedrijf en de verrichte werkzaamheden.

1.2. Bij besluit van 6 mei 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2009, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2008 beëindigd en de bijstand ingetrokken over de periode van 20 december 2005 tot en met 31 december 2007 en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode van hem teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen, omdat appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn werkzaamheden.

1.3. In het kader van het onder 1.1 genoemde onderzoek is appellant op 21 februari 2009 gehoord door de sociale recherche. Appellant heeft tijdens dit verhoor onder meer verklaard dat hij vanaf ongeveer 2006 tot januari 2008 schoonmaak- en kluswerkzaamheden heeft uitgevoerd. Van dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt, dat door appellant is ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 april 2009.

1.4. Het college heeft bij besluit van 23 juni 2009 het besluit op bezwaar van 13 januari 2009 ingetrokken en het besluit van 6 mei 2008 herroepen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek is gebleken dat deze besluiten niet in stand kunnen blijven.

1.5. Op basis van de verklaringen van appellant tijdens het verhoor op 21 februari 2009 heeft het college bij besluit van 15 juli 2009, gehandhaafd bij besluit van 18 december 2009 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 herzien en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 5.634,18 (bruto) van appellant teruggevorderd. De herziening en de terugvordering berusten op de overweging dat appellant door de inkomsten uit kluswerkzaamheden over deze periode een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft samengevat aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien het feitencomplex waar dit besluit op is gebaseerd reeds bekend was bij het besluit van 23 juni 2009. Daarnaast is met het besluit van 23 juni 2009 het vertrouwen gewekt dat appellant gewoon een uitkering zou krijgen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel. Appellant betwist voorts de hoogte van de terugvordering en de periode van de herziening en terugvordering. Appellant ontving maandelijks € 75,-- in plaats van € 150,--. De werkzaamheden zijn verricht gedurende een periode van achttien maanden en niet gedurende een periode van twee jaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 7:11, tweede lid, Awb is bepaald dat, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept en in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt. Het betoog van appellant dat het besluit van 15 juli 2009 tot herziening en terugvordering is genomen in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, slaagt niet. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het besluit van 15 juli 2009 een andere feitelijke grondslag kent dan het besluit van 6 mei 2008, gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2009, namelijk de verklaringen van appellant, afgelegd tegenover de sociale recherche op 21 februari 2009. Daarnaast berust het besluit van 15 juli 2009 op een andere wettelijke grondslag. Het college heeft daarbij immers op grond van de verklaringen van appellant alsnog het recht op bijstand vastgesteld, waarbij is geconcludeerd dat appellant een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen.

4.2. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat met het besluit van 23 juni 2009 het vertrouwen is gewekt dat het college niet alsnog over zou gaan tot herziening en terugvordering. Naar vaste rechtspraak (CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) kan een dergelijk beroep alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. In het besluit van 23 juni 2009 zijn dergelijke toezeggingen niet opgenomen.

4.3. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag van de terugvordering heeft het college zich gebaseerd op de ondertekende verklaring van appellant, afgelegd tegenover de sociale recherche op 21 februari 2009. Appellant heeft hierbij expliciet en zonder voorbehoud verklaard dat hij gemiddeld ongeveer € 150,-- per maand heeft verdiend. In afwijking van hetgeen appellant tijdens het verhoor bij de sociale recherche heeft verklaard, stelt appellant dat uitgegaan moet worden van verdiensten van € 75,-- per maand. Appellant heeft deze stelling niet met nadere verifieerbare gegevens onderbouwd. Appellant wordt dan ook gehouden aan zijn tegenover de sociaal rechercheur afgelegde en door hem ondertekende verklaring.

4.4. Het college heeft de periode van de herziening en terugvordering gestoeld op de tijdens het verhoor op 21 februari 2009 afgelegde verklaring van appellant dat hij vanaf ongeveer 2006 tot januari 2008 heeft schoongemaakt en kleine klussen heeft gedaan, waaronder het verbouwen van een badkamer. Appellant heeft in bezwaar een precisering gegeven van de periode waarin hij de werkzaamheden heeft verricht. Deze precisering houdt in dat hij halverwege 2006 is gestart en gedurende achttien maanden heeft gewerkt. Het college heeft ter zitting verklaard dat zij in het bestreden besluit niet voorbij had kunnen en moeten gaan aan deze precisering. De Raad ziet hierin grond voor de conclusie dat over de periode van

1 januari 2006 tot 1 juli 2006 onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de herziening van de bijstand van appellant en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand.

4.5. Gelet op de gebreken die daaraan kleven, kan het bestreden besluit en het besluit van 15 juli 2009, voor zover het betreft de herziening vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 en de terugvordering, dat een ondeelbaar besluit bevat, in rechte geen stand houden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal derhalve voor vernietiging in aanmerking komen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad dan het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Voorts zal het besluit van 15 juli 2009, voor zover het betreft de herziening over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 wegens een ondeugdelijke feitelijke grondslag moeten worden herroepen.

4.6. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kan de Raad niet zelf in de zaak voorzien, omdat een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag over de periode van 1 juli 2006 tot 1 januari 2008 moet worden gemaakt op basis van gegevens waarover het college de beschikking heeft. Deze berekening is tevens van belang in de ter zitting gevoegd behandelde zaak met reg.nr. 10/6012, waarin een maatregel wegens schending van de inlichtingenverplichting aan de orde is. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen om in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij dient het college tevens een beslissing te nemen op het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 18 december 2009 te herstellen met inachtneming van wat de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin

IJ