Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
12-3953 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geen recht meer op een ZW-uitkering. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Er bestaat gelet op de aanwezige medische stukken in het dossier geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies en bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel moeten leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3953 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 juni 2012, 11/1355 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Paffen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Paffen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als stucadoor. Appellant heeft zich op 11 mei 2010 ziek gemeld met klachten van (werkgerelateerde) overspannenheid en rugklachten. In verband met deze ziekmelding is appellant op 14 april 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, die appellant, na het verkrijgen van informatie van de huisarts van 27 april 2011, arbeidsongeschikt heeft geacht van 11 mei 2010 tot arbitrair 1 juni 2010. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 28 juni 2011 vastgesteld dat appellant vanaf 1 juni 2010 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 19 september 2011 - bij besluit van 19 september 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien te twijfelen aan de bevindingen en de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, die in zijn rapportage van 19 september 2011 blijk heeft gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De door appellant in beroep overgelegde brief van 9 januari 2012 van zijn behandelend psycholoog drs. W.P. Parsowa heeft de rechtbank onder verwijzing naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 19 januari 2012, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

3. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het rapport van de behandelend psycholoog. Volgens appellant had het rapport van de behandelaar gevolgd moeten worden. Er was sprake van invaliderende psychopathologie per datum in geding en appellant was door zijn psychische gesteldheid niet in staat eerder hulp te zoeken voor zijn klachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van stucadoor.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 19 september 2011 blijk gegeven van een zorgvuldig onderzoek. Er is rekening gehouden met de informatie van de huisarts, de psycholoog, de fysiotherapeut en het resultaat van beeldvormend onderzoek dat geen evidente rugafwijkingen liet zien. Wat betreft de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat er weliswaar rond de datum in geding sprake was van psychische klachten, maar niet in die mate dat er toen sprake was van ernstig invaliderende psychopathologie. Uit het huisartsenjournaal blijkt immers dat appellant pas in april 2011 voor het eerst bij de huisarts de psychische klachten heeft aangekaart, dus ruim 10 maanden na datum in geding. Appellant was in mei en augustus 2010 ook op het spreekuur van de huisarts en heeft toen geen melding gemaakt van psychische klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft daaruit afgeleid dat de psychische klachten toen in ieder geval niet dermate beperkend waren voor appellant dat hij er hulp voor wenste c.q. voor nodig had. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis hiervan appellant in staat geacht de maatgevende arbeid te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft er - naar aanleiding van de brief van de psycholoog van 9 januari 2012 - in zijn rapportage van 19 januari 2012 daarnaast op gewezen dat de behandelaar appellant niet heeft gezien rond de datum in geding, maar eerst op 10 mei 2011, en dat de informatie van de huisarts de stellingname van de behandelaar, dat sprake is van een ernstig invaliderende psychopathologie, ook niet medisch onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts nogmaals aangegeven dat van een ernstige psychiatrische aandoening zoals bijvoorbeeld schizofrenie, waardoor appellant niet eerder hulp heeft kunnen zoeken, bij appellant niet is gebleken. Er bestaat gelet op de aanwezige medische stukken in het dossier geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies en bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel moeten leiden. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde informatie van Parsowa van 10 september 2012 wordt het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals verwoord in de rapportage van 27 september 2012 onderschreven. Het betreft een herhaling van argumenten, er is geen sprake van nieuwe, medisch geobjectiveerde feiten.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2. is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) J.R. Baas

KR