Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
12-3751 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3751 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2012, 11/1619 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als onderwijsassistente voor 36,85 uur per week, heeft zich op 3 maart 2011 vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld wegens diverse klachten. Appellante is in dat verband op 25 maart 2011 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft appellante daarbij, na eigen onderzoek, weer geschikt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het Uwv het recht van appellante op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd per 30 maart 2011.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij zij informatie van haar huisarts heeft overgelegd. Bij besluit van 26 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van eveneens 26 mei 2011 - ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de conclusies van de verzekeringsartsen in de rapporten van 26 mei 2011 en 1 mei 2012 naar behoren zijn gemotiveerd en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen kan volgens de rechtbank gevolgd worden en de door appellante in bezwaar en beroep overgelegde medische informatie doet daar niet aan af.

3. Appellante kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. In hoger beroep heeft zij gesteld dat gezien de ernst en combinatie van haar lichamelijke en geestelijke gezondheidsklachten er wel degelijk sprake is geweest van objectief medische beperkingen, waardoor zij op 30 maart 2011, nog niet voldoende hersteld was om in haar eigen werk te hervatten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een brief van haar huisarts van 22 oktober 2012 overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ten aanzien van appellante verrichte medisch onderzoek, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts haar zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht en hij door appellante geïnformeerd is over haar klachten en de ten aanzien van deze klachten door de huisarts gehanteerde behandeling. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, appellante op de hoorzitting gezien en haar aansluitend onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts kon bij onderzoek, behoudens lichte depressieve klachten, geen duidelijke lichamelijk of psychische afwijkingen vaststellen. Vervolgens heeft hij de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven dat er geen medische beperkingen zijn te duiden die appellante zouden verhinderen haar werk te verrichten. Daarbij heeft hij de informatie van de huisarts van 9 mei 2011 beoordeeld en meegewogen in zijn oordeel. Ook de in beroep overgelegde informatie van fysiotherapeut A.J. van Raaphorst van 21 april 2011 is door de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld. In zijn rapport van 1 mei 2012 heeft deze arts afdoende gemotiveerd waarom deze informatie niet leidt tot het bij appellante aannemen van (meer) beperkingen ten aanzien van het verrichten van haar arbeid.

4.3. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, weergegeven in zijn rapport van 1 november 2012, ten aanzien van de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts van 22 oktober 2012. Uit deze informatie blijkt dat appellante zich rond de datum in geding tot de huisarts heeft gewend met schouder- en psychische klachten. Deze klachten waren ten tijde van de beoordeling van appellantes belastbaarheid bij de artsen van het Uwv bekend en met deze klachten is, zo blijkt ook uit de verschillende rapporten, bij de beoordeling van haar belastbaarheid rekening gehouden.

4.4. Nu appellante geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij op de datum hier in geding, 30 maart 2011, meer beperkingen had dan door de artsen van het Uwv aangenomen, is er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van deze artsen dat zij op de datum in geding geschikt geacht kan worden voor haar eigen arbeid als onderwijsassistente.

4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 30 maart 2011 heeft beëindigd. Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) J.R. Baas

QDH