Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
12-3332 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geen recht meer op ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Er bestaat gelet op de aanwezige medische stukken in het dossier geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies en de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou moeten leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3332 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 mei 2012, 11/8925 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Zennipman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellante is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Zennipman. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als klassen-assistent voor 38 uur per week bij Stichting Christelijk Onderwijs Haaglanden. Op 27 september 2007 is appellante uitgevallen met rugklachten als gevolg van een chronische afwijking. Bij besluit van 12 augustus 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 24 september 2009 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Appellante werd daarbij ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie, maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van haar beperkingen de functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), conciërge/huismeester/huisbewaarder en bezorger pakketten/tijdschriften te verrichten. Tegen het besluit van 12 augustus 2009 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Appellante heeft zich vervolgens vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving op 24 mei 2011 ziek gemeld met toegenomen psychische klachten na een ongeval op 16 juli 2010 en door haar thuissituatie. Verder heeft zij nog steeds last van linkerarmklachten als gevolg van het ongeval. In verband hiermee is zij op 4 juli 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, die haar per 22 augustus 2011 (na terugkomst van haar vakantie) geschikt heeft geacht voor de eerder geduide functies. De verzekeringsarts heeft daarbij rekening gehouden met de informatie van de huisarts van 31 mei 2011 en het behandelplan van Allekleur van 30 juni 2011. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van

22 augustus 2011 vastgesteld dat appellante vanaf 22 augustus 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 17 oktober 2011 - bij besluit van 17 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts gevolgd kan worden en dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te komen. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van het behandelplan van Allekleur van 30 juni 2011 en de in beroep overgelegde brief van 22 september 2011 van Allekleur afdoende heeft gereageerd en gemotiveerd waarom in bezwaar geen psychiatrische expertise is verricht.

3. In hoger beroep stelt appellante zich evenals in beroep op het standpunt dat zij op 22 augustus 2011 nog aan dusdanige klachten (depressie met psychotische kenmerken) leed dat zij geen enkele arbeid kon verrichten. Appellante is van mening dat zij dat met de informatie van Allekleur in voldoende mate heeft aangetoond. De bezwaarverzekeringsarts is in dezen geen specialist. Zij staat nog steeds onder behandeling. Appellante heeft verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. In dit geval betreft het de functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten), conciërge/huismeester/huisbewaarder en bezorger pakketten/tijdschriften.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarover inzichtelijk is gerapporteerd. Appellante is lichamelijk onderzocht, er is een gerichte anamnese afgenomen en een onderzoek van de psyche heeft plaatsgevonden. Tevens is rekening gehouden met informatie van Allekleur en van de huisarts met daarbij de resultaten van beeldvormend onderzoek dat geen evidente afwijkingen liet zien. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis hiervan het standpunt ingenomen dat appellante in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten nu hierin rekening is gehouden met een verminderde belastbaarheid en er geen somatische/structurele afwijkingen aan het bewegingsapparaat zijn vastgesteld. Wat betreft de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts in hoger beroep met de rapportage van 9 oktober 2012 nogmaals gemotiveerd aangegeven dat de ernst van de overgedragen diagnose en het functioneren zoals vermeld in de informatie van Allekleur van 30 juni 2011 te onwaarschijnlijk is geweest om dit over te nemen. Verder sluit het gegeven dat appellante van 22 juli 2011 tot 22 augustus 2011 op vakantie heeft kunnen gaan naar Tunesië, het juist zijn van de diagnostiek uit. Het lijkt er meer op, aldus de bezwaarverzekeringsarts, dat het in de brief van 30 juni 2011 alleen om de bevindingen naar aanleiding van een eerste intake is geweest, waarmee slechts een voorlopige diagnose is gesteld. De bezwaarverzekeringsarts wijst er daarbij op dat ook de presentatie tijdens het spreekuur van de (bezwaar)verzekeringsarts absoluut niet past bij een ernstig depressief beeld met psychotische kenmerken. Er bestaat gelet op de aanwezige medische stukken in het dossier geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies en de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou moeten leiden. Het overgelegde behandelplan van 23 oktober 2012 van de klinisch psychotherapeute van PsyQ waarin behandeling plaatsvindt binnen het programma Somatiek en Psyche vormt in dit verband eerder een bevestiging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor een onderzoek door een deskundige.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) J.R. Baas

KR