Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
12-749 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geen recht meer op ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen sprake van toename van de beperkingen ten opzichte van de beperkingen ten tijde van de WIA-beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/749 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2012, 11/1452 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, bekend met whiplasklachten na een ongeval in 2004, was laatstelijk vanaf 1 januari 2006 werkzaam als medewerker betonmortelcentrale bij [werkgever], loon en grondwerkersbedrijf. Op 14 februari 2007 is appellant uitgevallen vanwege fysieke klachten en tintelingen aan de handen. Daarnaast was er sprake van klachten van pijn in nek, hals en beide schouders, hoofdpijn, vermoeidheid en toename van cognitieve klachten. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 10 februari 2010 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Appellant is daarbij ongeschikt geacht voor zijn maatmanfunctie, maar nog wel in staat geacht de functies van wikkelaar/ samensteller elektronische apparatuur, brugwachter/sluiswachter en samensteller kunststof- en rubberindustrie te verrichten.

1.2. Na einde van het dienstverband per 28 juli 2010 heeft appellant zich vervolgens op 3 augustus 2010 ziek gemeld met toename van klachten, uitputting, pijn spieren, schouders en benen. In verband hiermee is appellant op 1 november 2010 en op 1 maart 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. Bij die laatste gelegenheid heeft de verzekeringsarts - na meenemen van informatie van de revalidatie arts van 24 september 2010 en van de huisarts van 2 februari 2011 - appellant per 2 maart 2011 geschikt geacht voor de eerder geduide functies. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 1 maart 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 2 maart 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 13 april 2011 - bij besluit van 13 april 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de (bezwaar)verzekeringsarts op grond van de voorhanden medische gegevens tot zijn medisch oordeel heeft kunnen komen. Het Uwv heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat appellant op 2 maart 2011 niet verdergaand beperkt is te achten dan is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 januari 2010 ten tijde van de WIA-beoordeling. Het is de rechtbank daarbij niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsarts relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellant heeft gemist. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om de rapporten van de neuroloog en psychiater af te wachten, aangezien onvoldoende duidelijk is wanneer de rapporten beschikbaar zullen zijn en het voorts de vraag is of deze rapporten betrekking hebben op de vraag of appellant op 2 maart 2011 al dan niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Ziektewet (ZW). Het kader waarbinnen de genoemde deskundigen in de civiele zaak een onderzoek verrichten is immers een ander dan het kader van de beoordeling in het kader van de ZW.

3. In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt dat de medische beoordeling niet zorgvuldig genoeg is geweest. Er dient aansluiting gezocht te worden bij de in het kader van de civiele zaak lopende deskundigenonderzoeken bij de neuroloog en psychiater. In alle redelijkheid dienen deze onderzoeken te worden afgeacht en/of te worden meegenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. In dit geval betreft het de functies van wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur, brugwachter/sluiswachter en samensteller kunststof- en rubberindustrie.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken. De aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen kunnen volledig onderschreven worden. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarover inzichtelijk is gerapporteerd. Appellant is lichamelijk onderzocht en er is een gerichte anamnese afgenomen. Tevens is rekening gehouden met de informatie uit de behandelende sector. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij vastgesteld dat er ten opzichte van de FML van 25 januari 2010 ondanks revalidatie geen nieuwe medische feiten en omstandigheden zijn opgetreden en dat er qua beperkingen in de FML sprake is van een status quo. Gelet op de medische gegevens in het dossier bestaat er geen aanleiding voor twijfel aan deze conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou moeten leiden. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor een onderzoek door een deskundige.

4.3. De door appellant in het vooruitzicht gestelde rapportages van de deskundige neuroloog en psychiater in de civiele procedure zijn anders dan appellant stelt niet noodzakelijk voor een zorgvuldige oordeelsvorming. De rechtbank heeft in dit verband terecht geoordeeld dat het kader waarin genoemde rapportages tot stand komt een andere is dan waar het hier om gaat, een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW.

4.4. Nu vastgesteld moet worden dat er per 2 maart 2011 geen sprake is van toename van de beperkingen ten opzichte van de beperkingen ten tijde van de WIA-beoordeling heeft het Uwv appellant per die datum terecht geschikt geacht voor de destijds geduide functies en het ziekengeld beëindigd.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4. is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) J.R. Baas

KR