Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
11-3742 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Er bestaat geen grond het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen als onzorgvuldig of onvolledig aan te merken. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben hun bevindingen inzichtelijk gerapporteerd en hun conclusies voldoende draagkrachtig onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3742 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 18 mei 2011, 10/6885 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft een reactie gegeven op de nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2012. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Huisman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 15 september 2008 op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam als buitendienst medewerker bij Assuriant. Op 10 maart 2009 heeft hij zich ziek gemeld wegens hart- en psychische klachten. Per 1 december 2009 is de arbeidsovereenkomst tussen appellant en Assuriant geëindigd. Appellant is daarop een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Op grond van de bevindingen na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2010 appellants ZW-uitkering per die datum beëindigd, aangezien hij weer geschikt werd geacht voor zijn werk. Bij besluit van 24 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen grond gezien het standpunt van het Uwv voor onjuist te houden. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de behandelend psychiater Artist en het Uwv het eens zijn dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis. Uit het rapport van psychiater Artist van 1 januari 2011 blijkt niet dat bij appellant daadwerkelijk sprake was van klachten die dermate invaliderend waren dat hij (tijdelijk) niet in staat was om zijn werkzaamheden te verrichten. Evenmin blijkt uit het rapport van psychiater Artist dat ten tijde van de datum in geding, 19 juli 2010, bij appellant sprake was van de omstandigheid dat hij “zeer beperkt was om sociale interacties aan te gaan en met name als daar ook maar enige vorm van spanning of druk bij komt kijken”. Wat betreft het rapport van de adviserend geneeskundige van de GGD heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat deze geneeskundige een andere psychiatrische diagnose heeft gesteld dan hij en psychiater Artist en dat de conclusies van deze geneeskundige zijn gebaseerd op een beoordeling in het kader van de Wet werk en bijstand, hetgeen anders is dan het beoordelingskader bij de ZW, zodat er reden is aan het rapport van de

GGD-geneeskundige voorbij te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat het Uwv van een onjuiste maatstaf van appellants arbeid is uitgegaan. Uit de inhoud van de arbeidsovereenkomst, de door appellant ingestelde loonvordering tegen zijn ex-werkgever en het vonnis van de rechtbank in die procedure blijkt dat sprake was van een 40-urige werkweek. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat, zoals door appellant gesteld, sprake was van een werkweek van gemiddeld 57,5 uur.

3. In hoger beroep betwist appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank. Appellant voert daartoe (samengevat) aan dat de beperkingen die door de psychiater Artist in zijn brief van 1 januari 2011 zijn verwoord onder meer betrekking hebben op de datum hier in geding en dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om van een 57,5-urige werkweek uit te gaan.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ter zitting is namens appellant verzocht de behandeling van zijn hoger beroep uit te stellen omdat hij zich op de zittingsdatum had gemeld bij de rechtbank ’s-Gravenhage en daardoor niet in staat was tijdig op de zitting bij de Raad te verschijnen. Nu appellant tijdig een uitnodiging voor de zitting bij de Raad met daarop vermeld het adres van de Raad te Utrecht heeft ontvangen, zijn gemachtigde wel aanwezig was en appellant derhalve adequaat is vertegenwoordigd, bestaat er geen grond dit verzoek toe te wijzen.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van de verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.3. Het geschil in hoger beroep concentreert zich op de psychische klachten van appellant ten tijde in geding en op de omvang van zijn arbeid.

4.4. Er bestaat geen grond het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen als onzorgvuldig of onvolledig aan te merken. Er is geen aanleiding de daaraan verbonden conclusies onjuist te achten. Daartoe wordt van belang geacht dat een verzekeringsarts appellant (meerdere keren) heeft onderzocht en kennis heeft genomen van informatie van de behandelend sector, waaronder de psychiater R.K.D. Prasatya, wiens behandeling van appellant kort voor de datum in geding is afgerond. Een bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellant onderzocht op 12 augustus 2010.

De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben hun bevindingen inzichtelijk gerapporteerd en hun conclusies voldoende draagkrachtig onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de betekenis die moet worden toegekend aan de verklaring van psychiater Artist van 1 januari 2011 en het rapport van de adviserend geneeskundige van de GGD van

17 januari 2011, wordt onderschreven. De door appellant overgelegde brief van psychiater Artist van 19 oktober 2012 bevat diens standpunt dat bij appellant medio juli 2010 sprake was van dermate psychische problematiek dat hij op dat moment niet in staat geacht kon worden om onder druk sociale interacties aan te gaan of prestaties te leveren. Nu dit standpunt niet nader is onderbouwd, afwijkt van de overige beschikbare medische informatie en evenmin is toegelicht waarom Artist thans veel verdergaande beperkingen aanneemt, in afwijking van zijn eerdere verklaring van 1 januari 2011, wordt dit standpunt niet gevolgd.

4.5. Ter onderbouwing van zijn standpunt inzake het aantal arbeidsuren per week in zijn werk heeft appellant in hoger beroep een brief van zijn advocaat van 8 augustus 2011 aan zijn voormalige werkgever, screenprints van zijn outlook-agenda over de periode van 29 september 2008 tot en met 8 maart 2009 alsmede een drietal getuigenverklaringen overgelegd. Uit deze stukken blijkt wel dat sprake was van veelvuldige werkzaamheden in de avonduren, maar niet van een gemiddeld aantal overuren in de extreme omvang als door appellant gesteld. Daarenboven is in het onderhavige geval artikel 19, vijfde lid, van de ZW van toepassing, zodat dient te worden geabstraheerd van karakteristieke kenmerken die specifiek behoorden bij de laatstelijk verrichte arbeid, waaronder te begrijpen overuren in een omvang zoals door appellant gesteld.

5. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4 en 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) Z Karekezi

QDH