Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
11-6600 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CIZ heeft in een brief van 10 september 2010 appellante meegedeeld dat zij het aanvraagformulier niet heeft ondertekend en haar gevraagd het formulier volledig in te vullen en opnieuw te sturen aan CIZ. De brief van 10 september 2010 is een besluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb, betreffende de procedure ter voorbereiding van het besluit van CIZ op de aanvraag van appellante en appellante wordt daardoor los van het te nemen besluit op de aanvraag niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen. De brief van 10 september 2010 is niet vatbaar voor bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/76

Uitspraak

11/6600 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 oktober 2011, 10/1943 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

Datum uitspraak: 5 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2012. Daar is namens appellante verschenen mr. Moghni. Namens CIZ is verschenen mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 9 september 2010 heeft mr. Moghni namens appellante bij CIZ een aanvraag ingediend voor zorg krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2. CIZ heeft in een brief van 10 september 2010 appellante meegedeeld dat zij het aanvraagformulier niet heeft ondertekend en haar gevraagd het formulier volledig in te vullen en opnieuw te sturen aan CIZ.

1.3. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. CIZ heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 20 oktober 2010, omdat de brief van 10 september 2010 volgens CIZ een mededeling is en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante heeft daartegen beroep ingediend bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 10 september 2010 een besluit is als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Omdat dat besluit appellante los van het voor te bereiden besluit over de gevraagde AWBZ-zorg niet treft, is het niet vatbaar voor bezwaar of beroep.

3. Appellante stelt dat het besluit van 10 september 2010 wel vatbaar is voor bezwaar en beroep omdat het op rechtsgevolg is gericht, namelijk het gevolg dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. In dat besluit heeft CIZ ook niet aangegeven dat een negatief besluit zou worden genomen als appellante niet alsnog haar handtekening zou plaatsen. Appellante wordt rechtstreeks getroffen in haar belangen omdat zij nu later in aanmerking komt voor een indicatiebesluit.

4. CIZ voert gemotiveerd verweer.

5. De Raad overweegt hierover onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 februari 2011 (LJN: BP6186) het volgende.

5.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

5.2. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

5.3. Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

5.4. Artikel 6:3 van de Awb bepaalt dat een beslissing betreffende de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

5.5. De beslissing waarbij het bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid stelt een aanvraag aan te vullen, is een besluit. Zij leidt immers tot een (nieuwe) verplichting voor de aanvrager, die berust op het standpunt van het bestuursorgaan dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om tot een - zorgvuldig voorbereid en deugdelijk onderbouwd - besluit te komen. De brief van 10 september 2010 is dan ook een besluit.

5.6. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de brief van 10 september 2010 een besluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb is, betreffende de procedure ter voorbereiding van het besluit van CIZ op de aanvraag van appellante en dat appellante daardoor los van het te nemen besluit op de aanvraag niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen. Het in de brief van 10 september 2010 vervatte besluit kan immers in het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag - ten volle - worden aangevochten. Dat een besluit als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb tot gevolg heeft dat de beslistermijn wordt opgeschort, leidt evenmin tot het oordeel dat appellante door het in de brief van 10 september 2010 vervatte besluit los van het te nemen besluit op de aanvraag in haar belang wordt getroffen. In het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag of tegen een inhoudelijk besluit op de aanvraag kan immers ook (vertragings)schade worden gevorderd. Appellante heeft gesteld dat CIZ na het besluit van 10 september 2010 geen besluit tot buitenbehandelingstelling of een inhoudelijk besluit op de aanvraag heeft genomen. Eerst na een volgende aanvraag heeft CIZ een inhoudelijk besluit genomen. Dat maakt echter het karakter van het besluit van 10 september 2010 niet anders.

5.7. Wat hiervoor is overwogen brengt mee dat de brief van 10 september 2010 niet vatbaar is voor bezwaar. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en C. van Viegen en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) J.T.P. Pot