Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
11-6117 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:5604, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijzingsbeslissing van meervoudige kamer naar enkelvoudige kamer ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:10, geldigheid: 2012-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/404

Uitspraak

11/6117 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2011, 11/21 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 5 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D. Matadien, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer. Betrokkene en haar gemachtigde zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft op 12 januari 2010 een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend bij appellant. Daarbij heeft zij vermeld dat zij met ingang van 17 november 2009 gedurende vijftien uur per week werkzaamheden als zelfstandige verricht. Bij besluit van 19 maart 2010 heeft appellant betrokkene een WW-uitkering toegekend met ingang van 1 februari 2010, berekend naar een arbeidsurenverlies van 32,38 per week en met korting van vijftien uur per week gedurende de periode van 1 februari 2010 tot en met 21 maart 2010. Daarna is aan betrokkene een ongekorte WW-uitkering uitbetaald.

1.2. Op 4 mei 2010 heeft de werkcoach van betrokkene bij het Uwv gemeld dat hij vermoedde dat betrokkene voltijds bezig was met haar zelfstandige onderneming, een beautysalon. Hierop heeft een onderzoek plaatsgevonden, in het kader waarvan betrokkene is gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 juni 2010. Deze hebben, voor zover thans van belang, geleid tot besluiten van appellant van 10 en 12 augustus 2010 tot intrekking van de WW-uitkering met ingang van 1 februari 2010 en terugvordering van volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering in de periode van 1 februari 2010 tot en met 9 mei 2010 van € 2.931,33. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij besluit van 23 november 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat betrokkene, gezien het feit dat haar beautysalon 32,5 uur per week open was, 32,5 uur per week werkzaam was als zelfstandige, ook al was zij slechts vijftien uur per week daadwerkelijk bezig met klanten.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft tevens de besluiten van 10 augustus 2010 en 12 augustus 2010 herroepen. De rechtbank was van oordeel dat betrokkene bij haar aanvraag weliswaar ten onrechte alleen opgave heeft gedaan van de effectieve tijd die zij aan klanten, bijkomende werkzaamheden en administratie besteedde, maar achtte niet aannemelijk geworden dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk was dat zij de indirecte uren ook moest opgeven. De rechtbank overwoog hierbij dat niet is gebleken dat betrokkene de informatie heeft gekregen die zij nodig had om een juiste invulling te geven aan de op haar rustende inlichtingenplicht, omdat zij er door appellant niet uitdrukkelijk op is gewezen dat zij de indirecte uren ook moest opgeven en omdat niet vaststaat dat betrokkene in een bijlage bij het toekenningsbesluit is gewezen op haar rechten en plichten, noch dat haar de folder ‘Starten als zelfstandige’ is uitgereikt. Betrokkene heeft naar het oordeel van de rechtbank aan de gang van zaken in redelijkheid het vertrouwen kunnen ontlenen dat zij kon volstaan met de opgave van de direct productieve uren.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat betrokkene uit de folder ‘Een WW-uitkering, en nu?’, de daarin genoemde folder ‘Kan ik met een uitkering voor mezelf beginnen?’ en uit de informatie op internet waarnaar is verwezen, had kunnen afleiden dat zij alle uren die zij aan haar bedrijf besteedde moest opgeven en dat zij, indien de folders niet duidelijk waren, informatie had kunnen inwinnen bij haar werkcoach.

3.2. Betrokkene heeft herhaald dat haar werkcoach op de hoogte was van haar activiteiten als zelfstandige en dat zij niet op de hoogte was van het onderscheid tussen directe en indirecte uren en de verplichting om die beide op te geven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De zaak van betrokkene is door een enkelvoudige kamer van de rechtbank in behandeling genomen. De behandeling ter zitting van deze enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. De enkelvoudige kamer heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen een aantal vragen van de rechtbank te beantwoorden. Nadat appellant de vragen van de rechtbank had beantwoord is de zaak ter zitting van 23 augustus 2011 behandeld door een meervoudige kamer van de rechtbank. Na sluiting van het onderzoek door de meervoudige kamer heeft de enkelvoudige kamer uitspraak gedaan.

4.1.2. In het dossier zijn geen aanwijzingen te vinden dat de meervoudige kamer de zaak na de zitting van 23 augustus 2011 heeft verwezen naar de enkelvoudige kamer. Een verwijzingsbeslissing op de voet van artikel 8:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ontbreekt.

4.1.3. Uit 4.1.2 volgt dat de aangevallen uitspraak ten onrechte door een enkelvoudige kamer is gedaan. De aangevallen uitspraak kan hierom niet in stand blijven.

4.1.4. Partijen hebben de Raad verzocht de zaak inhoudelijk af te doen. De Raad zal gevolg geven aan dit verzoek en de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank. De Raad zal het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit beoordelen.

4.2.1. Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar overweging 2.4.1 van de aangevallen uitspraak. Verder is nog van belang artikel 8, eerste lid, van de WW. Hierin is bepaald dat een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer behoudt voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd.

4.2.2. Betrokkene meent dat zij de op haar rustende inlichtingenplicht niet heeft overtreden, omdat haar werkcoach op de hoogte was van haar activiteiten en omdat haar niet is verteld dat zij ook de uren moest opgeven waarin zij geen klanten had, maar bereikbaar was.

4.2.3. Appellant heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 april 2010, LJN BM1129, zijn standpunt gehandhaafd dat betrokkene in de periode waarin zij een WW-uitkering ontving 32,5 uur als zelfstandige heeft gewerkt en dat zij uit de folder “Kan ik met een uitkering voor mezelf beginnen?” had kunnen begrijpen dat zij al die uren had moeten opgeven.

4.2.4. Betrokkene is met haar bedrijf begonnen voordat zij werkloos werd. Zij heeft de werkzaamheden als zelfstandige echter niet verricht naast haar arbeid als werknemer en komt daarom niet in aanmerking voor de zogenoemde vrijlating van uren.

4.2.5. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad gelden de uren waarin op telefoontjes en klanten wordt gewacht ook als gewerkte uren. De Raad verwijst naar de in 4.2.3 genoemde uitspraak. Betrokkene heeft na 21 maart 2010 echter geen uren opgegeven aan appellant. Dat zij geen werkbriefjes heeft ontvangen ontsloeg haar niet van de verplichting om appellant op de hoogte te stellen van het aantal uren dat zij besteedde aan haar onderneming. Betrokkene had, hoewel zij volgens haar zeggen alleen in het begin gedurende de openingstijden in de salon aanwezig was en later slechts wanneer zij een afspraak had met een klant, waarbij zij de rest van de dag thuis was in afwachting van telefoontjes van klanten die een afspraak wilden maken, 32,5 uur moeten opgeven. Door dat niet te doen heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting.

4.2.6. Appellant heeft betrokkene op 20 januari 2010 telefonisch op haar rechten en plichten gewezen. In de aan haar uitgereikte folder ‘Een WW-uitkering, en nu?’ is verwezen naar de folder ‘Kan ik met een uitkering voor mezelf beginnen?’. Betrokkene heeft die folder echter niet opgevraagd. Betrokkene miskent met haar stelling dat appellant haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de door haar op te geven uren, dat zij zelf verantwoordelijk was voor het inwinnen van de benodigde informatie. Haar opvatting dat zij alleen de uren waarin zij klanten ontving behoefde op te geven is dan ook niet ingegeven door informatie van appellant, maar door betrokkenes eigen opvatting over haar inlichtingenverplichting. Het risico daarvan komt voor betrokkenes rekening. Daarbij komt dat betrokkene, afgezien van het aanvraagformulier om WW-uitkering, appellant niet op hoogte heeft gesteld van de uren die zij in haar eigen beleving wel werkte; zij heeft geen enkele opgave gedaan.

4.2.7. Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat betrokkene in de periode van 1 februari 2010 tot en met 9 mei 2010 geen recht had op een WW-uitkering, omdat zij gedurende 32,5 uur per week werkzaam was als zelfstandige. Appellant is dan ook terecht tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering van betrokkene overgegaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is niet gebleken.

4.3. Uit 4.2.4 tot en met 4.2.7 volgt dat het beroep van betrokkene ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2012.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) Z. Karekezi