Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
11-398 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending wettelijke inlichtingenverplichting door geen mededeling te doen van het feit dat hij beschikte over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van de Fortisbankrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/398 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2010, 10/762 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te ’[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Samama. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1980, ontvangt sinds 21 januari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een vermogenssignaal van de Belastingdienst dat appellant beschikt over een bankrekening bij de Fortisbank met nummer [bankrekening] (Fortisbankrekening), heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente 's-Gravenhage een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is appellant bij brief van 18 mei 2009 - onder meer - verzocht kopieën van alle afschriften van de Fortisbankrekening vanaf 1 oktober 2007 tot en met mei 2009 over te leggen. Uit de door appellant verstrekte informatie is gebleken dat de bankrekening een zogenoemde “en/of”-rekening betrof die ook op naam van de moeder van appellant stond en dat het saldo op die rekening op 21 januari 2008 € 13.026,44 bedroeg. Op 28 mei 2009 is de “en/of”-rekening opgeheven en zijn de gelden overgeschreven naar een op naam van de moeder van appellant staande bankrekening.

1.3. De resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapportage van 7 oktober 2009, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 oktober 2009 de bijstand van appellant over de periode van 21 januari 2008 tot en met 30 oktober 2008 te herzien (lees: in te trekken ) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van

€ 6.559,43 van appellant terug te vorderen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting verzuimd heeft het college mededeling te doen van het feit dat hij beschikte over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen. Tevens heeft het college bij besluit van

27 oktober 2009 de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2009 verlaagd met 100% van de voor hem geldende bijstandsnorm gedurende een maand op de grond dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

1.4. Bij besluit van 25 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 9 oktober 2009 en 27 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van de Fortisbankrekening, en dat hij niet over de gelden op deze rekening heeft kunnen beschikken. Hij heeft nimmer transacties verricht en de gelden op de betreffende rekening behoorden toe aan zijn moeder.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die bankrekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.2. Appellant is hierin niet geslaagd. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van de Fortisbankrekening. Uit de stukken komt naar voren dat de moeder van appellant in december 1989 een Piek-Fijn spaarrekening op naam van appellant heeft geopend en dat deze rekening in april 2000 is omgezet in een “en/of”-(spaaractief)rekening met nummer [bankrekening] op naam van appellant en zijn moeder. Appellant was ten tijde van de wijziging van de Piek-Fijn spaarrekening in een “en/of”-rekening meerderjarig en heeft hiervoor schriftelijk toestemming gegeven. Dat appellant niet wist waarvoor hij tekende heeft hij in het geheel niet onderbouwd, zodat daaraan verder voorbij wordt gegaan. Voorts komt naar voren uit de stukken dat de Fortisbank jaarlijks rekeningoverzichten van de betreffende rekening aan appellant heeft verstrekt, verzonden naar het adres van appellant en zijn moeder. Dat de moeder van appellant, naar zij heeft verklaard, deze overzichten voor appellant verborgen hield, komt voor rekening en risico van appellant. Appellant heeft zijn stelling dat hij niet feitelijk over het op de Fortisbankrekening staande vermogen heeft beschikt of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken, niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Het gegeven dat appellant in de periode van november 2001 tot januari 2008 in Suriname heeft verbleven en in verband daarmee (feitelijk) geen transacties verricht zou kunnen hebben, is in dit verband niet relevant. Ook de schriftelijke verklaring van de moeder van appellant van 24 mei 2009, inhoudende dat het tegoed op de rekening enkel aan haar toebehoorde, leidt niet tot een ander oordeel.

4.3. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant in de in geding zijnde periode over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens heeft beschikt dan wel heeft kunnen beschikken. Door hiervan geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Daarmee is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was de bijstand van appellant over de in geding zijnde periode in te trekken.

4.4. Appellant heeft geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de wijze waarop het college van de bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt. Evenmin zijn door appellant zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht ten aanzien van de terugvordering en de hem opgelegde maatregel. Het oordeel van de rechtbank over deze onderdelen behoeft dan ook geen bespreking.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) N.M. van Gorkum

HD