Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
11/675 WWB + 11/676 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/675 WWB, 11/676 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 december 2010, 10/524 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Walcheren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.A.M. te Braake, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Appellanten zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C. Vermeer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 1 april 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden in aanvulling op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

1.2. Op 25 november 2009 heeft het dagelijks bestuur naar aanleiding van informatie van Suwinet over bij het dagelijks bestuur tot dan toe onbekende inkomsten, de uitbetaling van de bijstand van appellanten geblokkeerd. Daarbij heeft het dagelijks bestuur verzocht om gegevens over die inkomsten. Bij besluit van 10 december 2009 heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand opgeschort met ingang van 1 november 2009 op de grond dat appellanten niet alle gevraagde gegevens hebben overgelegd. Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid geboden dat verzuim voor 17 december 2009 te herstellen. Het dagelijks bestuur heeft de hersteltermijn diverse malen verlengd, voor het laatst tot 19 februari 2010. Op 3 maart 2010 hebben appellanten de gevraagde gegevens overgelegd.

1.3. Bij besluit van 25 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten met ingang van 1 november 2009 weer betaalbaar gesteld en de bijstand, bij wijze van maatregel, met ingang van 1 november 2009 verlaagd met 50% van de voor hen geldende bijstandsnorm voor de duur van twee maanden. Aan de maatregel is ten grondslag gelegd dat appellanten, in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting, niet uit eigen beweging hun inkomsten uit arbeid in 2009 hebben opgegeven.

1.4. Bij besluit van 7 april 2010 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten over de periode van 1 april 2009 tot en met 31 oktober 2009 herzien en de kosten van de ten onrechte verstrekte bijstand tot een bedrag van € 4.709,06 bruto van appellanten teruggevorderd op de grond dat appellanten niet hebben gemeld dat zij in die periode inkomsten hebben genoten. Appellanten hebben tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 24 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2010 deels gegrond verklaard en de verlaging nader bepaald op 25% van de voor appellanten geldende bijstandsnorm voor de duur van twee maanden met ingang van 1 april 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad leest de aangevallen uitspraak aldus dat de rechtbank uitsluitend een oordeel heeft gegeven over de bij het bestreden besluit opgelegde maatregel en niet tevens een oordeel heeft gegeven over de herziening van de bijstand. Ook partijen hebben de aangevallen uitspraak zo opgevat.

4.2. Appellanten hebben betoogd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, zodat geen grond bestaat voor verlaging van bijstand. Dit betoog slaagt niet. De Sociale Dienst Walcheren (SDW) hanteert het systeem dat betrokkenen uitsluitend een wijzigingsformulier moeten inleveren als er iets wijzigt in de persoonlijke situatie, een inkomstenformulier uitsluitend wanneer sprake is van inkomsten uit werk of wisselende inkomsten en een statusformulier éénmaal per jaar, waarop de bij de SDW bekende gegevens staan, die door de betrokkenen moeten worden gecontroleerd op juistheid. Los hiervan zijn betrokkenen verplicht op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB onverwijld en uit eigen beweging melding te maken van feiten of omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor de verlening van bijstand. Appellanten zijn tekortgeschoten in de vervulling van hun inlichtingenverplichting. Eerst op 3 maart 2010 hebben zij op een statusformulier melding gemaakt van de inkomsten in 2009. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdig inkomstenformulieren hebben afgegeven aan de balie van het stadskantoor in Middelburg, zoals zij stellen. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat zij hun inkomsten tijdig bij hun consulent hebben gemeld. Het betoog dat de consulent appellanten had moeten vragen naar hun inkomsten en dat had moeten vastleggen in rapportages, stuit af op de zojuist genoemde spontane inlichtingenverplichting van appellanten.

4.3. Gelet op het in 4.2 overwogene valt appellanten te verwijten dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Hieruit vloeit voort dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellanten overeenkomstig de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de SDW (Afstemmingsverordening) te verlagen. Appellanten hebben niet bestreden dat de hoogte en de duur van de opgelegde verlaging in overeenstemming zijn met de Afstemmingsverordening.

4.4. Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) A.C. Oomkens

IJ