Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
11-6900 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bedrag van de onrechtmatige besteding. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 april 2012, LJN BW3514, wordt het standpunt van de staatssecretaris onderschreven dat, indien sprake is van financiële onzekerheid die de rapporteringstolerantiegrens te boven gaat, dit tot gevolg heeft dat in zoverre sprake is van een onrechtmatige besteding. De staatssecretaris is op grond van artikel 70, eerste lid, van de WWB gehouden het bedrag van de onrechtmatige besteding terug te vorderen. In wat appellant over de onevenredigheid heeft aangevoerd worden geen zeer bijzondere omstandigheden gezien die de staatssecretaris ertoe hadden moeten brengen niet onverkort aan die terugvorderingsbepaling vast te houden. Daarbij moet worden bedacht dat niet elke onzekerheid tot terugvordering leidt, maar dat het hier gaat om een onzekerheid die de rapporteringstolerantiegrens te boven gaat. De staatssecretaris kon hierbij uitgaan van een bedrag aan onzekerheid van € 447.333,--, aangezien daarover volgens de accountant onzekerheid bestond, die, blijkens het verhandelde ter hoorzitting tijdens de bezwaarfase, ook niet nader kon worden gepreciseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6900 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 oktober 2011, 10-5615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (appellant)

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Voor appellant zijn verschenen mr. E.F.M. Rutten en E.J. Aafjes. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en M. Bochallati.

OVERWEGINGEN

1. Onder de staatssecretaris wordt in deze uitspraak ook begrepen diens rechtsvoorganger de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Op 13 juli 2009 heeft de staatssecretaris de door appellant voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand (WWB) over het vergoedingsjaar 2008 bij de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties ingediende verantwoordingsinformatie ontvangen met de bijlage bij de jaarrekening als bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Deze bijlage bevat een verslag van bevindingen met de bijbehorende accountantsverklaring van Deloitte Accountants B.V. (Deloitte) van 19 mei 2009. In dit verslag heeft Deloitte ten aanzien van het zogeheten werkdeel van de WWB gerapporteerd, dat over een bedrag van € 447.333,-- aan interne uren onzekerheid bestaat, omdat de urenadministratie van de gemeente niet onderhevig is aan toereikende interne beheersingsmaatregelen.

2.2. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft de staatssecretaris met toepassing van artikel 70, eerste lid, van de WWB een bedrag van € 447.333,-- van appellant teruggevorderd.

2.3. Bij besluit van 27 september 2010 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat appellant ten laste van het werkdeel WWB 2008 uitgaven tot een bedrag van € 447.333,-- aan interne uren heeft gedaan waarvan de juistheid en volledigheid niet met zekerheid kan worden vastgesteld.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad verwijst voor een weergave van de hier van belang zijnde wet- en regelgeving naar de aangevallen uitspraak.

5.2.1. Appellant heeft aangevoerd dat geen sprake is van onrechtmatigheid, maar van onzekerheid. Deze onzekerheid is in 2009 opgeheven. In dat jaar heeft een hersteloperatie plaatsgevonden van de beheersingsmaatregelen van het tijdschrijfsysteem. Uit de resultaten van die hersteloperatie kan de conclusie worden getrokken dat de uren die in 2008 zijn geboekt daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat is voor appellant aanleiding geweest om in november 2010 een wijziging van de tabel met fouten en onzekerheden over het werkdeel WWB 2008 in te dienen, resulterend in een bedrag aan onzekerheid van 0. Bovendien betreft een deel van het bedrag volgens appellant geen interne uren, maar gefactureerde uren.

5.2.2. De beroepsgrond dat niet mag worden teruggevorderd omdat de aanvankelijk vastgestelde onzekerheid inmiddels is opgeheven, treft geen doel, reeds omdat niet kan worden geconcludeerd dat die onzekerheid met de aanpassing van de beheersingsmaatregelen in 2009 is opgeheven. Over 2008 is immers vanwege de in dat jaar ontoereikende beheersingsmaatregelen van het tijdschrijfsysteem tot het maximale bedrag van € 447.333,-- onzekerheid blijven bestaan. Zoals blijkt uit de managementletter van november 2009 van Deloitte bestond in 2008 de mogelijkheid meer dan 24 uur per dag te schrijven, konden geautoriseerde weekstaten zonder tussenkomst van de applicatiebeheerder worden gewijzigd en konden ook niet goedgekeurde uren in de financiële administratie worden verwerkt. Ook aan de gefactureerde uren is de staatssecretaris terecht voorbijgegaan, reeds omdat appellant deze niet nader heeft onderbouwd.

5.3.1. Appellant heeft voorts aangevoerd dat artikel 2, derde lid, van de Regeling WWB de staatssecretaris de mogelijkheid geeft om de betalingen van de uitkeringen op te schorten, indien de verantwoordingsinformatie niet tijdig is ingediend. Omdat de staatssecretaris indertijd van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, mag thans niet worden teruggevorderd.

5.3.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De mogelijkheid de betalingen van de uitkering op te schorten ziet op de betaling voor het lopende vergoedingsjaar, terwijl het hier gaat om de in artikel 70 van de WWB opgenomen mogelijkheid tot terugvordering van de uitkering over het jaar waarop de verantwoordingsinformatie betrekking heeft.

5.4.1. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het onredelijk is het gehele bedrag waarover onzekerheid bestaat terug te vorderen. Onzekerheid is niet gelijk te stellen met onrechtmatigheid. Een aanzienlijk deel van het bedrag dat is besteed aan re-integratie wordt teruggevorderd, terwijl met die re-integratie nu juist goede resultaten zijn geboekt. Daarom heeft de accountant weliswaar een bedrag van € 447.333,-- onzeker genoemd, maar anderzijds, omdat wel aannemelijk is dat de uren zijn gemaakt, dit tevens als P.M.-post aangemerkt.

5.4.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 april 2012, LJN BW3514, wordt het standpunt van de staatssecretaris onderschreven dat, indien sprake is van financiële onzekerheid die de rapporteringstolerantiegrens te boven gaat, dit tot gevolg heeft dat in zoverre sprake is van een onrechtmatige besteding. De staatssecretaris is op grond van artikel 70, eerste lid, van de WWB gehouden het bedrag van de onrechtmatige besteding terug te vorderen. In wat appellant over de onevenredigheid heeft aangevoerd worden geen zeer bijzondere omstandigheden gezien die de staatssecretaris ertoe hadden moeten brengen niet onverkort aan die terugvorderingsbepaling vast te houden. Daarbij moet worden bedacht dat niet elke onzekerheid tot terugvordering leidt, maar dat het hier gaat om een onzekerheid die de rapporteringstolerantiegrens te boven gaat. De staatssecretaris kon hierbij uitgaan van een bedrag aan onzekerheid van € 447.333,--, aangezien daarover volgens de accountant onzekerheid bestond, die, blijkens het verhandelde ter hoorzitting tijdens de bezwaarfase, ook niet nader kon worden gepreciseerd.

5.5. Uit 5.2.1 tot en met 5.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin

IJ