Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5040

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
10-1613 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand bij wijze van maatregel gedurend één maand met 10%. Appellante is herhaaldelijk de verplichting niet nagekomen om informatie te verstrekken die van belang is voor de verlening van bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1613 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 maart 2010, 09/1753 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 23 oktober 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 9 augustus 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Appellante is uitgenodigd voor een heronderzoek op 30 september 2008, waarbij haar is verzocht de afschriften van al haar bankrekeningen vanaf 15 juni 2008 mee te brengen. Tijdens dit gesprek is geconstateerd dat appellante geen afschriften heeft meegenomen van de twee bankrekeningen die zij destijds bij de aanvraag van bijstand had opgegeven. Bij besluit van 18 maart 2009, voor zover hier van belang, heeft het college appellante verplicht om binnen een maand alsnog de afschriften van de betreffende twee bankrekeningen over de periode van 15 juni 2008 tot en met 10 oktober 2008 in te leveren dan wel een bewijs dat deze bankrekeningen vóór 15 juni 2008 zijn opgeheven. In de uitnodiging per brief van 13 juli 2009 voor een heronderzoek op 24 juli 2009 is appellante opnieuw verzocht om deze bankafschriften over genoemde periode dan wel bewijs van opheffing van de bankrekeningen mee te nemen. Bij besluit van 24 juli 2009 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van die datum opgeschort en is haar tot 7 augustus 2009 de gelegenheid geboden om alsnog de betreffende bankafschriften dan wel bewijs van opheffing van de bankrekeningen in te leveren. Op 7 augustus 2009 heeft de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Venlo een schrijven van appellante ontvangen dat zij over circa twee weken een schriftelijke bevestiging zal verstrekken dat de beide bankrekeningen zijn opgeheven en dat zij meer tijd nodig heeft om de gevraagde bankafschriften thuis bijeen te zoeken. Appellante heeft vervolgens nagelaten de toegezegde stukken in te leveren en evenmin verzocht om verlenging van die termijn. Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft het college onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 24 juli 2009 ingetrokken. Bij besluit van 30 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2009 in zoverre gegrond verklaard dat de intrekking van de bijstand met ingang van 24 juli 2009 niet wordt gehandhaafd en de bijstand bij wijze van maatregel gedurende een maand met 10% wordt verlaagd. Daaraan ligt ten grondslag dat de intrekking van de bijstand, gelet op de omstandigheden van appellante, niet evenredig is, maar dat het appellante kan worden aangerekend dat zij herhaaldelijk de verplichting niet is nagekomen om informatie te verstrekken die van belang is voor de verlening van bijstand en dat een verlaging van de bijstand met 10% gedurende een maand daarmee in overeenstemming is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante is van mening dat het college in strijd handelt met artikel 10, tweede lid, van de Afstemmingsverordening Wwb 2007 van de gemeente Venlo (Afstemmingsverordening) waarin is bepaald dat een verlaging van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand kan worden toegepast indien een belanghebbende de in het eerste lid genoemde verplichting herhaaldelijk niet tijdig is nagekomen. Volgens appellante is geen sprake van een herhaaldelijk niet nakomen van deze verplichting, omdat het college niet eerder heeft verzocht om de betreffende bankafschriften. Het niet inleveren van deze bankafschriften was voor het college niet eerder aanleiding om de bijstand op te schorten dan wel te korten. Voorts is appellante van mening dat de betreffende bankafschriften niet relevant zijn voor het onderhavige heronderzoek omdat het college reeds eerder had vastgesteld dat appellante recht had op bijstand. Zo die bankafschriften al relevant waren, had het op de weg van het college gelegen om eerst een waarschuwing te geven, temeer daar het college al jaren op de hoogte is van de schrijnende persoonlijke omstandigheden van appellante en de wijze waarop zij al enige tijd moet leven. Ten slotte is erop gewezen dat de gemachtigde van appellante op 21 januari 2010 de ING Bank heeft verzocht om een kopie van de betreffende bankafschriften en dat daarop geen reactie is ontvangen, zodat ook het voor appellante niet mogelijk was om tijdig de gevraagde gegevens te verstrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 10 van de Afstemmingsverordening betreft het te laat verstrekken van inlichtingen. Ingevolge het eerste lid van dit artikel kan, indien de belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet nakomt door informatie, die van belang is voor de verlening van bijstand, niet tijdig te verstrekken, met toepassing van artikel 54 van de wet het recht op bijstand ingaande de eerste dag van het verzuim worden opgeschort. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Afstemmingsverordening kan, indien een belanghebbende de in het eerste lid genoemde verplichting herhaaldelijk niet tijdig nakomt, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een verlaging worden toegepast van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

4.2. Het standpunt van appellante dat geen sprake is van een herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de gevraagde gegevens te verstrekken, kan niet worden onderschreven. In de in 1.2 genoemde besluiten van 18 maart 2009 en 24 juli 2009 en de brief van 13 juli 2009 is appellante uitdrukkelijk verzocht om de afschriften van de betreffende twee bankrekeningen over de periode van 15 juni 2008 tot en met 10 oktober 2008 alsnog in te leveren dan wel een bewijs van opheffing van die bankrekeningen vóór 15 juni 2008. Appellante heeft aan geen van deze verzoeken voldaan en heeft ondanks de toezegging in het van haar op 7 augustus 2009 ontvangen schrijven ook nadien de gevraagde gegevens niet verstrekt, of verzocht om uitstel van de gevraagde termijn van twee weken. Daarbij is niet van belang dat het college niet eerder dan met ingang van 24 juli 2009 het recht op bijstand heeft opgeschort, vervolgens per die datum de bijstand heeft ingetrokken en die intrekking bij het bestreden besluit niet heeft gehandhaafd.

4.3. Het standpunt van appellante dat de gevraagde bankafschriften over genoemde periode niet relevant zijn voor het recht op bijstand, kan evenmin worden onderschreven. Uit bankafschriften kunnen mutaties blijken, zoals overschrijving of kasstortingen, die van invloed kunnen zijn voor het recht op en de hoogte van de bijstand. De gevraagde bankafschriften over de periode van 15 juni 2008 tot en met 10 oktober 2008 hadden derhalve mogelijk aanleiding kunnen geven tot intrekking of herziening van de bijstand over deze periode. Gelet op de toezegging van appellante in haar schrijven, ontvangen op 7 augustus 2009, is niet aannemelijk dat zij destijds de gevraagde bankafschriften niet alsnog had kunnen aanleveren. Bovendien heeft zij daarin zonder enig voorbehoud toegezegd een bewijs van opheffing van de bankrekeningen te zullen verstrekken. De omstandigheid dat de gemachtigde van appellante na haar brief van 21 januari 2010 ten tijde van het aanvullend beroepschrift van 7 april 2010 kennelijk geen enkele reactie van ING Bank heeft ontvangen, kan niet leiden tot de conclusie dat een poging van appellante daartoe in de eerste helft van 2009 geen kans van slagen zou hebben gehad. Daarbij wordt aangetekend dat het gebruikelijk is dat Nederlandse banken desgevraagd binnen enkele weken vervangende exemplaren van ontbrekende bankafschriften verstrekken.

4.4. Het college heeft op basis van artikel 10, tweede lid, van de Afstemmingsverordening de bijstand van appellante gedurende een maand met 10% verlaagd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de persoonlijke omstandigheden van appellante, de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid van appellante het college aanleiding hadden moeten geven te volstaan met een waarschuwing of de vastgestelde verlaging met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening te matigen. Daarbij is van belang dat appellante tot drie keer uitdrukkelijk is verzocht om de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken en dat zij, ondanks haar toezegging, geen enkele van deze gegevens heeft ingeleverd en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij destijds, al dan niet met behulp van haar bewindvoerder, daartoe niet in staat was.

4.5. Uit hetgeen in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P.J.M. Crombach

IJ