Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5028

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
11-7090 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag. Appellant voldoet niet aan het vereiste dat hij voorafgaande aan de aanvraag, gerekend over een ononderbroken periode van 60 maanden, een inkomen heeft ontvangen dat niet hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 36, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 5c, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 24, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 25, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 30, geldigheid: 2012-12-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7090 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 oktober 2011, 10/5425 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuhn. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van der Eijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1949, is gehuwd en woont in de gemeente Purmerend. De echtgenote van appellant verblijft in Marokko. Appellant heeft de zorg voor twee tot zijn last komende kinderen. Verder woont bij appellant zijn meerderjarige, niet studerende zoon. Appellant ontvangt al geruime tijd een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, verhoogd met een toeslag ingevolge de Toeslagenwet.

1.2. Op 26 april 2010 heeft appellant bij het college een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Bij besluit van 11 juni 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan het vereiste dat hij voorafgaande aan de aanvraag, gerekend over een ononderbroken periode van 60 maanden, een inkomen heeft ontvangen dat niet hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

1.4. Bij besluit van 10 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 juni 2010 ongegrond verklaard.

1.5. In het verweerschrift in beroep heeft het college zich op het - ten opzichte van het bestreden besluit gewijzigde - standpunt gesteld dat appellant en zijn partner als gehuwden moeten worden beschouwd en dat in het kader van de voorliggende aanvraag het gezamenlijke inkomen van de gehuwden (het gezinsinkomen) dient te worden getoetst aan de norm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de WWB. Daarvan uitgaande heeft het college vervolgens geconcludeerd dat in ieder geval gedurende de periode van 17 november 2008 tot 22 oktober 2009 het in aanmerking te nemen gezinsinkomen, bestaande uit de WAO-uitkering en de toeslag van appellant en de aan de echtgenote van appellant betaalde algemene heffingskorting minst verdienende partner, meer bedroeg dan de toepasselijke bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover van belang - het onder 1.5 weergegeven nadere standpunt van het college onderschreven, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard wegens het ontbreken van een dragende motivering, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft aangevoerd dat het college bij de berekening van het gezinsinkomen ten onrechte de aan zijn in het buitenland wonende echtgenote toekomende heffingskorting minst verdienende partner in aanmerking heeft genomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.2. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, respectievelijk artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag en hebben deze regels in ieder geval betrekking op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

4.3. In artikel 3 van de Verordening langdurigheidstoeslag Purmerend 2009 (verordening) heeft de gemeenteraad bepaald, voor zover hier van belang, dat aan de in artikel 36, eerste lid, van de WWB gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm is ontvangen. In de verordening wordt onder referteperiode verstaan een periode van 60 maanden voorafgaand aan de peildatum. Onder peildatum wordt in de verordening verstaan de datum waartegen langdurigheidstoeslag wordt aangevraagd. Onder inkomen wordt in de verordening verstaan het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de WWB.

4.4. In de verordening is niet gedefinieerd wat onder bijstandsnorm moet worden verstaan. Nu deze verordening is vastgesteld ter uitvoering van de WWB, dient bij haar uitleg te worden aangesloten bij de begripsomschrijvingen en bepalingen van de WWB. In artikel 5, aanhef en onder c, van de WWB is bijstandsnorm gedefinieerd als de op grond van paragraaf 3.2 van de WWB op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 van de WWB door het college vastgestelde verhoging of verlaging. Tot paragraaf 3.2 behoort artikel 24 van de WWB. Daarin is bepaald dat indien een van de gehuwden geen recht heeft op algemene bijstand, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk is aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant en zijn in Marokko verblijvende echtgenote niet duurzaam gescheiden leven. Voor de toepassing van de WWB moeten appellant en zijn echtgenote dan ook als gehuwden worden aangemerkt. Evenmin is in geschil dat de echtgenote van appellant geen recht heeft op algemene bijstand. Uit het wettelijk systeem, zoals onder 4.4 weergegeven, volgt, anders dan het college en de rechtbank hebben aangenomen, dat voor appellant in het kader van de toepassing van artikel 3 van de verordening als bijstandsnorm genomen moet worden de norm die geldt voor een alleenstaande ouder. Deze norm dient ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB, in verbinding met artikel 30 van de WWB en artikel 3, tweede lid, van de Toeslagenverordening van de gemeente Purmerend te worden verhoogd met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm omdat bij appellant zijn meerderjarige niet studerende zoon inwoont.

4.6. Uit de door appellant overgelegde specificaties blijkt dat in de ter beoordeling voorliggende periode de inkomsten van appellant uit de WAO-uitkering, inclusief de toeslag, in de maand januari 2009 € 1.055,75 en in de maand juli 2009 € 1.067,28 bedroegen. Deze inkomsten waren hoger dan de voor appellant geldende bijstandsnorm in die maanden, te weten: (€ 898,70 [norm] + € 128,39 [toeslag] =) € 1.027,09 in de maand januari 2009 en (€ 906,55 [norm] + € 129,51 [toeslag] =) € 1.036,06 in de maand juli 2009. Hieruit volgt reeds dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen. De beroepsgrond van appellant, die ziet op het door het college bij de berekening van het gezinsinkomen in aanmerking nemen van de heffingskorting minst verdienende partner, kan dan ook onbesproken blijven.

5. Het overwogene in 4.5 en 4.6 leidt tot de conclusie dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak moet, zij het met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) A.C. Oomkens

IJ