Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
11/1113 WWB + 11/1114 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en (mede)terugvordering bijstand. Begrip duurzaam gescheiden leven. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat betrokkene A. zo vaak in of bij de woning van betrokkene B. aanwezig was dat niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven in voormelde zin. Betrokkenen met de tot hun last komende kinderen, moesten als een gezin moesten worden beschouwd, met als gevolg dat zij geen recht hadden op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder dan wel een alleenstaande.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1113 WWB, 11/1114 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 januari 2011, 10/2700 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (appellant)

[Betrokkene A.] en [betrokkene B.] te [woonplaats] (betrokkenen)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. A. Kiliç-Sahin, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Appellant is niet verschenen. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. A. Kiliç-Sahin. Tevens is ter zitting verschenen de door betrokkenen meegebrachte tolk K. Efe.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [Betrokkene A.] [betrokkene A.] en [betrokkene B.] ([betrokkene B.]) zijn in 1997 met elkaar gehuwd en hebben samen drie kinderen. Zij ontvingen vanaf 6 mei 2001 tot en met 18 december 2005 bijstand naar de norm voor een gezin, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 18 december 2005 heeft [betrokkene B.] de echtelijke woning verlaten. Per 19 december 2005 ontving hij bijstand naar de norm voor een alleenstaande. [Betrokkene B.] ontving sinds die datum bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. [betrokkene B.] stond, voor zover van belang, van 15 februari 2006 tot 21 mei 2008 ingeschreven op het adres [adres A.] te [woonplaats]. [Betrokkene B.] en de kinderen staan sinds 2 juni 2006 ingeschreven op het adres [adres B.] te [woonplaats]. Met ingang van 11 maart 2009 staat [betrokkene B.] ingeschreven op het adres aan de [adres B.]. Met ingang van die datum ontvangen betrokkenen weer bijstand naar de norm voor gehuwden. Op 29 maart 2007 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken, maar de beschikking is niet ingeschreven in het register van de burgerlijke stand.

1.2. Naar aanleiding van een interne melding heeft de Afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente [woonplaats] (AZI), een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkenen. In dat kader heeft AZI waarnemingen verricht in de directe omgeving van de woning van [Betrokkene B.], dossieronderzoek verricht, informatie bij de politie ingewonnen, en buurtonderzoek gedaan in de [adres B ], alwaar met buurtbewoners is gesproken. [Betrokkene B.] en [betrokkene B.] hebben op 17 november 2009 verklaringen afgelegd tegenover een sociaal rechercheur van AZI. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 30 november 2009.

1.3. Op grond van deze onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 22 januari 2010 de bijstand van [Betrokkene B.] over de periode van 2 juni 2006 tot en met 11 februari 2009 herzien naar de norm voor gehuwden, en over de periode van 12 februari 2009 tot en met 10 maart 2009 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.616,95 van haar teruggevorderd en van [betrokkene B.] medeteruggevorderd. Bij besluit van eveneens 22 januari 2010 heeft het college ook de bijstand van [betrokkene B.] over de periode van 2 juni 2006 tot en met 11 februari 2009 herzien naar de norm voor gehuwden, en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.333,52 van hem en van [Betrokkene B.] (mede)teruggevorderd.

1.4. Naar aanleiding van de door betrokkenen tegen de besluiten van 22 januari 2010 gemaakte bezwaren, heeft appellant bij besluit van 2 juli 2010 (bestreden besluit), voor zover van belang, afgezien van de herziening van bijstand over de periode 2 juni 2006 tot 1 januari 2007 en de hoogte van de terugvordering en de medeterugvordering nader vastgesteld op € 16.882,85. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat betrokkenen, anders dan zij bij appellant hadden gemeld, in de periode van 1 januari 2007 tot en met 10 maart 2009 niet duurzaam gescheiden leefden. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting is ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, respectievelijk naar de norm van een alleenstaande toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, en dat besluit vernietigd voor zover het betreft de intrekking (lees: herziening) en de (mede)terugvordering over de periode 1 januari 2007 tot 21 mei 2008. Volgens de rechtbank is er geen toereikende grondslag voor het standpunt dat betrokkenen in de periode 1 januari 2007 tot 21 mei 2008 niet duurzaam gescheiden leefden. De onderzoeksbevindingen bieden naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende grondslag voor de conclusie dat betrokkenen in de periode van 21 mei 2008 tot 11 maart 2009 tezamen met hun kinderen woonachtig waren op de [adres B.] te [woonplaats].

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat betrokkenen in de periode van 1 januari 2007 tot 21 mei 2008 niet duurzaam gescheiden hebben geleefd.

3.1. Betrokkenen hebben in het verweerschrift verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat betrokkenen in de periode in geding gehuwd waren. Het geding spitst zich toe op de vraag of appellant terecht heeft aangenomen dat betrokkenen van 1 januari 2007 tot 21 mei 2008 niet duurzaam gescheiden leefden.

4.2. Op grond van artikel 11, vierde lid, van de WWB komt het recht op bijstand de echtgenoten gezamenlijk toe. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 30 november 2010, LJN BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat [betrokkene B.] ten tijde van belang zo vaak in of bij de woning van [Betrokkene B.] aan de [adres B.] aanwezig was dat niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven in voormelde zin. Zo heeft [betrokkene B.] op 17 november 2009 tegenover een sociaal rechercheur verklaard dat hij in de tijd dat hij op de [adres A.] woonde ook een beetje op de [adres B.] verbleef. Verder komt uit drie verklaringen van met name genoemde buurtbewoners in de directe omgeving van de woning aan de [adres B.], naar voren dat [betrokkene B.] gedurende zo’n drie jaar wordt gezien en herkend als (over)buurman. [betrokkene B.] en [Betrokkene B.] wonen daar met hun kinderen als gezin. Deze buurtbewoners hebben op 17 september 2009 onafhankelijk van elkaar verklaringen van gelijkluidende strekking afgelegd. Uit door de politie ingesteld buurtonderzoek in de omgeving van de woning van [betrokkene B.] op het adres [adres A.], is gebleken dat [betrokkene B.] daar vanaf halverwege 2006 niet meer is gezien, en dat vanaf dat moment in die woning steeds wisselende personen hebben gewoond. Niet zonder betekenis in dit verband is voorts dat [betrokkene B.] een auto op zijn naam had staan die hij zelf gebruikte, maar ook ter beschikking stelde aan [Betrokkene B.] om de kinderen naar school te brengen. De omstandigheid dat betrokkenen stonden ingeschreven op verschillende adressen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in de onder 4.2 omschreven zin. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat er periodes waren dat zij elkaar niet zagen in verband met huwelijksproblemen (CRvB 23 maart 2010, LJN BM1211).

4.4. Anders dan door betrokkenen is gesteld, leiden voormelde feiten in onderling verband bezien tot de conclusie dat betrokkenen gedurende de periode hier aan de orde niet duurzaam gescheiden leefden. Dat [betrokkene B.] veel in de woning aan de [adres B.] aanwezig was omdat hij betrokken is bij de opvoeding van zijn kinderen, maakt dit niet anders omdat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2326) de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie in dit kader niet van belang zijn.

4.5. Betrokkenen hebben met betrekking tot de onder 4.4 vermelde feiten en omstandigheden nog aangevoerd dat daarmee niet is gezegd dat zij gedurende de in geding zijnde periode met elkaar samenwoonden als waren zij gehuwd. Dat standpunt treft geen doel. Immers, niet de vraag of sprake was van samenwoning moet worden beantwoord, maar de vraag of sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten.

4.6. Geen aanleiding bestaat om in dit geval af te wijken van de vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM7618) dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking of wijziging van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De in beroep overgelegde verklaringen ter ontkrachting van de onder 4.3 genoemde verklaringen van direct betrokkenen vormen onvoldoende grond om aan de juistheid van de eerdere verklaringen te twijfelen.

4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat betrokkenen met de tot hun last komende kinderen, ten tijde hier van belang als een gezin moesten worden beschouwd, met als gevolg dat zij geen recht hadden op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder dan wel een alleenstaande.

4.8. Gelet op 4.1 tot en met 4.7 slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

-verklaart het beroep van betrokkenen tegen het besluit van 2 juli 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) N.M. van Gorkum

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

ij