Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
12-2552 WIJ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is door college terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding bezwaartermijn. Nu het besluit is verzonden naar het bij het college laatstelijk bekende en opgegeven adres van appellant, waar appellant op dat moment volgens de Gemeentelijk Basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven, is dit besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekend gemaakt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd kan voorts geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2552 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 maart 2012, 11/1616 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Crutzen heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 23 oktober 2012, waar partijen, het college met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college afwijzend beslist op de aanvraag van appellant op 20 januari 2010 om een werkleeraanbod ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ) op de grond dat hij op meerdere oproepen in januari 2011 niet heeft gereageerd. Bij dat besluit heeft het college tevens de inkomensvoorziening ingevolge de WIJ met ingang van 20 januari 2010 afgewezen en de aan appellant verstrekte voorschotten van in totaal € 8.390,-- teruggevorderd. Bij besluit van 16 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant is van mening dat de rechtbank de termijnoverschrijding ten onrechte niet verschoonbaar heeft geacht. In december 2010 is appellant buiten zijn schuld dakloos geraakt, waardoor hij tijdelijk geen toegang had tot de voor hem bestemde post. Appellant wijst erop dat het college hem eerst in januari 2011, de periode waarin hij geen vast woonadres had, heeft aangeschreven om te starten met een werkleeraanbod. Voorts heeft appellant regelmatig ontstekingen aan zijn rechteroog waardoor hij niet optimaal functioneert. De oorzaak daarvan is ook na uitgebreid onderzoek nog niet ontdekt. Vanwege de gevolgen van deze oogklachten wordt appellant door zijn moeder ondersteund met onder andere administratieve taken. Het college was bekend met deze fysieke klachten en de rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij in deze situatie met deze specifieke omstandigheden van appellant de termijnoverschrijding niet verschoonbaar acht. Voorts heeft appellant erop gewezen dat hij door de terugvordering van de voorschotten onevenredig hard in zijn belangen wordt getroffen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hem, onder wie begrepen de aanvrager. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 1 september 2009, LJN BJ7888) heeft het college aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het woonadres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.

4.3. Vaststaat dat appellant het college niet eerder dan in zijn bezwaarschrift van 11 april 2011 van zijn gewijzigde woonsituatie in kennis heeft gesteld. Nu het besluit van 1 februari 2011 is verzonden naar het bij het college laatstelijk bekende en opgegeven adres van appellant, waar appellant op dat moment volgens de Gemeentelijk Basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven, is dit besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekend gemaakt. De termijn waarbinnen appellant bezwaar had kunnen indienen, heeft dan ook een aanvang genomen op 2 februari 2011, de dag na die waarop dit besluit aan hem is toegezonden. De termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar was ten tijde van de indiening daarvan op 11 april 2011 ruimschoots verstreken.

4.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd kan voorts geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Weliswaar heeft het college appellant niet eerder dan in januari 2011 opgeroepen voor een werkleeraanbod, maar appellant heeft over de gehele periode een voorschot van € 740,-- per maand aan inkomensvoorziening ingevolge de WIJ ontvangen. Daardoor had appellant moeten beseffen dat hij het college tijdig ervan op de hoogte had moeten stellen dat hij in december 2010 noodgedwongen zijn woonruimte heeft moeten verlaten en geen toegang meer had tot de naar dat adres gestuurde post. Uit de ingezonden medische gegevens blijkt niet dat appellant ten tijde hier van belang als gevolg van ontstekingen aan zijn rechteroog niet in staat was het college te informeren over zijn feitelijke woonsituatie of dat dit de oorzaak was van de overschrijding van de bezwaartermijn. Daarbij wordt aangetekend dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, door zijn moeder in administratieve zaken werd ondersteund. Aangezien in geding de rechtsvraag voorligt of de termijnoverschrijding verschoonbaar was, kan de vraag of appellant door de terugvordering onevenredig in zijn belangen is getroffen niet aan de orde komen. Het college heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 februari 2011 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.5. Uit hetgeen in 4.3 en 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P.J.M. Crombach

IJ