Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
12-3395 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is door college terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen appellant heeft aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. De omstandigheid dat appellant in afwachting was van een gesprek met BRN medio december 2011 om aan de hand van de definitieve cijfers van het bedrijfsresultaat in 2010 en de prognose voor 2011 zijn mogelijkheden tot betaling van aflossing en rente met ingang van 1 januari 2012 vast te stellen, kan er niet toe leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3395 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2012, 12/271 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft op basis van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 in maart 2007 aan appellant een lening verstrekt van € 31.000,-- om te voorzien in bedrijfskapitaal. Het bedrag aan aflossing en rente is met ingang van 1 juli 2007 vastgesteld op € 632,92 per maand. In verband met de achterstand van appellant met de aflossing en rentebetalingen van deze lening heeft BRN Projecten (BRN) op verzoek van het college een onderzoek verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 september 2011. Vervolgens heeft het hoofd van het Bureau Zelfstandigen (bureauhoofd) dit rapport met appellant besproken. Naar aanleiding van dit rapport en deze bespreking heeft het college bij besluit van 29 september 2011 het bedrag aan rente en aflossing met ingang van 1 januari 2011 vastgesteld op € 354,76 per maand, met ingang van 1 oktober 2011 op € 404,76 per maand en met ingang van 1 januari 2012 vastgesteld op € 725,50 per maand, inclusief een extra betalingsverplichting van € 100,-- per maand voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 september 2015. Bij besluit van 4 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant had van de onderzoeker van BRN begrepen dat met hem medio december 2011 een nader gesprek zou plaatsvinden op basis van de dan beschikbare definitieve cijfers van het bedrijfsresultaat 2010 en de inschatting van die cijfers voor 2011 en dat dit zou leiden tot een verlengstuk van het uitgebrachte rapport. Dit zou, naar de verwachting van appellant, leiden tot een definitieve vaststelling van het bedrag aan aflossing en rente met ingang van 1 januari 2012. Voorts heeft appellant tijdens een telefoongesprek met het bureauhoofd kenbaar gemaakt dat hij het niet eens was met het tweede deel van het besluit van 29 september 2011, te weten de vastgestelde betalingsverplichting met ingang van 1 januari 2012, maar dat hij nog zou wachten op het gesprek medio december 2011 met de duidelijke cijfers van zijn administratiekantoor. Het is appellant niet duidelijk of hij tijdens het telefoongesprek met het bureauhoofd bewust of onbewust op het verkeerde been is gezet of dat sprake was van een misverstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. Niet is in geschil dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 september 2011 eindigde op 10 november 2011. Het bezwaarschrift van appellant vermeldt als dagtekening 13 november 2011 en is door het college ontvangen op 23 november 2011 en is daarom na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn ingediend. Hetgeen appellant heeft aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. De omstandigheid dat appellant in afwachting was van een gesprek met BRN medio december 2011 om aan de hand van de definitieve cijfers van het bedrijfsresultaat in 2010 en de prognose voor 2011 zijn mogelijkheden tot betaling van aflossing en rente met ingang van 1 januari 2012 vast te stellen, kan er niet toe leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Evenmin heeft appellant, zoals hij ter zitting heeft erkend, tijdens het telefoongesprek met het bureauhoofd een toezegging gekregen dat hij na afloop van de termijn van zes weken nog bezwaar kon maken. De omstandigheid dat appellant, zoals hij ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, in het telefoongesprek met het bureauhoofd kenbaar heeft gemaakt het niet eens te zijn met de vastgestelde betalingsverplichting met ingang van 1 januari 2012 en dat hij ervan uitging dat het bureauhoofd dat als bezwaar zou aanmerken, moet voor rekening van appellant blijven. Appellant had binnen de termijn van zes weken, eventueel op nader aan te voeren gronden, bezwaar kunnen maken en, afhankelijk van de resultaten van een nader onderzoek door BRN in december 2011 en nadere besluitvorming van het college, dit bezwaar kunnen intrekken. Daarbij wordt opgemerkt dat in het besluit van 29 september 2011 uitdrukkelijk is gewezen dat schriftelijk bezwaar moet worden gemaakt, dat de termijn om bezwaar te maken zes weken is en dat een bezwaarschrift dat te laat wordt ingediend niet meer wordt behandeld.

4.3. Uit hetgeen in 4.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P.J.M. Crombach

IJ