Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY5014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
11/874 WWB-T + 11/875 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Opschorting en intrekking bijstand. Appellant heeft tijdig over de VW Bora de door het college gevraagde informatie heeft verstrekt. Niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 54, eerste lid, van de WWB, zodat het college niet bevoegd was om het recht op bijstand van appellant op te schorten en niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand in te trekken. De Raad draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/874 WWB-T, 11/875 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 december 2010, 10/6000 en 10/6115 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 4 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 2 oktober 2012. Partijen, waarvan het college met bericht, zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 10 april 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Uit administratief onderzoek begin 2010 is gebleken dat tot 16 november 2009 een Seat Ibiza en sinds 18 januari 2010 een Volkswagen Bora (VW Bora) uit 2002 met een dagwaarde van € 7.950,-- op naam van appellant hebben gestaan. De dagwaarde van de VW Bora ligt boven de voor appellant geldende vermogensgrens van € 5.325,--.

1.3. Bij brief van 7 mei 2010 heeft het college appellant verzocht vóór 21 mei 2010 zijn autokentekenbewijs deel I en II en een schriftelijke verklaring over de financiering van de aanschaf met bewijsstukken van de VW Bora en een schriftelijke verklaring met bewijsstukken over de verkoopwaarde en ontvangst ervan van de Seat Ibiza over te leggen.

1.4. Bij brief van 12 mei 2010 heeft het college de termijn verlengd tot 26 mei 2010 en appellant verzocht voor die datum contact op te nemen met zijn consulent.

1.5. Uit een rapportage van 19 mei 2010 blijkt dat appellant op 18 mei 2010 telefonisch contact heeft opgenomen met zijn consulent. Appellant heeft daarbij verklaard dat de Seat Ibiza en de VW Bora door zijn broer zijn aangeschaft en door hem op naam van appellant zijn gezet. Bij brief, door het college op 21 mei 2010 ontvangen, heeft appellant verklaard dat de auto’s niet meer op zijn naam staan. Appellant heeft een aantal stukken bijgevoegd, waaronder een vrijwaringsbewijs van de VW Bora. Verder heeft appellant in zijn brief aangegeven dat hij het graag hoort als hij meer informatie moet geven.

1.6. Bij besluit van 26 mei 2010 (primaire besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van 1 mei 2010 opgeschort op de grond dat appellant niet alle gevraagde gegevens of papieren heeft verstrekt. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om voor 9 juni 2010 het verzuim te herstellen. Bij besluit van 26 juli 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college dit besluit gehandhaafd.

1.7. Bij besluit van 10 juni 2010 (primaire besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken op de grond dat appellant niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt, ook niet nadat hem daartoe alsnog de mogelijkheid was gegeven. Bij besluit van 2 augustus 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college dit besluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en heeft daartoe aangevoerd dat hij alle informatie heeft verstrekt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet meer in geschil is dat appellant over de Seat Ibiza tijdig voldoende informatie heeft verstrekt. Verder staat vast dat de VW Bora van 18 januari 2010 tot en met 17 mei 2010 op naam van appellant heeft gestaan. Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens over de financiering van de aanschaf van de VW Bora, gelet op de dagwaarde die boven de voor appellant geldende vermogensgrens lag, noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand van appellant. In geschil is of appellant over de VW Bora tijdig de door het college gevraagde informatie heeft verstrekt.

4.2. Vaststaat dat appellant vóór 26 mei 2010 contact heeft opgenomen met zijn consulent en een verklaring heeft gegeven over de eigendom van de VW Bora. Deze verklaring heeft hij vervolgens met schriftelijke stukken aangevuld. Daarmee heeft appellant voldaan aan het verzoek van het college om vóór 26 mei 2010 contact op te nemen met zijn consulent en informatie te verstrekken over de aanschaf van de VW Bora. De omstandigheid dat het college de door appellant gegeven verklaring onjuist dan wel ongeloofwaardig vindt, doet hieraan niet af. De bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB is immers bedoeld als dwangmiddel tot nakoming van de op de bijstandsgerechtigde rustende wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken. De vraag of de verschafte inlichtingen en verklaringen juist, aannemelijk of geloofwaardig zijn, en welke gevolgen aan de onjuistheid, onaannemelijkheid of ongeloofwaardigheid van die inlichtingen en verklaringen moeten worden verbonden, dient het college te beoordelen bij de uitoefening van de bevoegdheden tot beëindiging van bijstand op grond van de artikelen 43 en 44 van de WWB of tot herziening of intrekking van bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB. Gelet op het door het college gegeven oordeel over de gegeven inlichtingen, was het immers tot een inhoudelijke beslissing omtrent het recht op bijstand van appellant in staat. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 12 april 2011, LJN BQ1120, waarin in vergelijkbare zin is beslist.

4.3. Het overwogene in 4.2 leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 54, eerste lid, van de WWB, zodat het college niet bevoegd was om het recht op bijstand van appellant op te schorten. Daarom was het college vervolgens niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 1 mei 2010 in te trekken.

4.4. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaren en deze bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 54, eerste respectievelijk vierde lid, van de WWB.

4.5. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Het primaire besluit 1 zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden herroepen, omdat dit besluit op dezelfde onjuiste grondslag berust en dit gebrek niet kan worden hersteld. Met betrekking tot het primaire besluit 2 kan niet in de zaak worden voorzien. Het college is niet ter zitting verschenen en heeft zich dus nog niet uitgelaten over de vraag of dit besluit in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB. Daarom bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit 2.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2010 te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) A.C. Oomkens

HD