Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
12-2186 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toestemming voor verblijf in het buitenland. Beëindiging en intrekking bijstand. De Raad is met de rechtbank en het college van oordeel dat wat appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de gezondheidssituatie van zijn moeder niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Vaststaat immers dat het langere verblijf van appellant in Pakistan niet te maken had met de gezondheidssituatie van hemzelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2186 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 februari 2012, 11/4245 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

Datum uitspraak: 27 november 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Seddigh Afshar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken met nummers 10/6449 BBZ, 10/6512 BBZ en 12/2187 WWB plaatsgevonden op 16 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Seddigh Afshar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 4 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Aan hem was geen ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2. Op 9 november 2010 heeft appellant het college verzocht om toestemming voor verblijf in het buitenland in de periode van 12 november 2010 tot en met 3 december 2010. Appellant is op 15 november 2010 naar het buitenland vertrokken.

1.3. Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college de toestemming geweigerd en de bijstand van appellant met ingang van 15 november 2010 beëindigd en vanaf 12 november 2010 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in het kalenderjaar 2010 al 28 dagen in het buitenland heeft verbleven en dat hij daarom geen toestemming krijgt om in de periode 12 november 2010 tot 3 december 2010 naar het buitenland te gaan.

1.4. Bij besluit van 1 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d (thans: e), van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

4.2. Vaststaat dat appellant eerder in 2010 al vier weken in het buitenland verblijf had gehouden, zodat het hem, gelet op 4.1, niet was toegestaan om in dat jaar nog langer met behoud van bijstand in het buitenland verblijf te houden. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 15 juni 2009, LJN BK3316) is de reden van het (langduriger) verblijf buiten Nederland op zichzelf niet van belang.

4.3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan toch bijstand worden verleend, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Appellant heeft zich beroepen op zeer dringende redenen en aangevoerd dat zijn moeder ernstig ziek was en het daarom noodzakelijk was dat hij met spoed naar Pakistan ging.

4.4. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 1 december 2009, LJN BK6576) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Eveneens volgens vaste rechtspraak (CRvB 8 maart 2005, LJN AT4471) kunnen die dringende redenen uitsluitend betrekking hebben op degene die, hoewel hij geen recht heeft op bijstand, niettemin voor bijstand in aanmerking wil komen.

4.5. De Raad is met de rechtbank en het college van oordeel dat wat appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de gezondheidssituatie van zijn moeder niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Vaststaat immers dat het langere verblijf van appellant in Pakistan niet te maken had met de gezondheidssituatie van hemzelf.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Hillen en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.C. Oomkens