Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY4503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
11-1575 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand omdat betrokkene in strijd met zijn inlichtingenverplichting appellant niet heeft meegedeeld dat hij niet (meer) verbleef op het door hem opgegeven adres bij zijn broer S.. Als gevolg hiervan kan appellant niet vaststellen of betrokkene nog recht heeft op bijstand.

Raad: S. was in de te beoordelen periode hoofdbewoner van de woning. Betrokkene huurde een kamer van S. in deze woning.

Niet in geschil is dat de opsporingsambtenaren, door zonder toestemming van betrokkene diens kamer te betreden, inbreuk hebben gemaakt op zijn huisrecht. Dit betekent volgens vaste rechtspraak (CRvB 12 januari 2010, LJN: BK8928), zoals het college ook heeft erkend, dat wat de opsporingsambtenaren in de kamer van betrokkene hebben waargenomen als onrechtmatig verkregen bewijs bij de beoordeling van recht op bijstand van betrokkene buiten beschouwing dient te blijven.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of ook de verklaring van S. buiten beschouwing moet blijven wegens schending van het huisrecht van betrokkene. Appellant stelt daartoe dat het huisrecht van betrokkene beperkt is tot diens kamer. De ambtenaren hadden dus geen toestemming van betrokkene nodig om in een ander deel van de woning binnen te treden. De aldaar afgelegde verklaring van S. is daarom geen onrechtmatig verkregen bewijs. Betrokkene betoogt dat zijn huisrecht de gehele woning omvat en dat de opsporingsambtenaren dus alleen met zijn toestemming de woning mochten binnentreden.

Bij het huisbezoek hebben de ambtenaren waargenomen dat de kamer van betrokkene een slaapkamer aan de achterkant van de woning betreft met daarin alleen een matras, manden met kleding en een kledingkast. Betrokkene moest dus, om daar te kunnen wonen, gebruik maken van andere ruimten in de woning en de toegang tot de woning. In die situatie is het huisrecht van betrokkene niet beperkt tot slechts deze kamer. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis.

Indien echter één bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent, maken de binnentredende ambtenaren in beginsel geen inbreuk op het huisrecht van de overige bewoners. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet op het binnentreden is voor het binnentreden de toestemming van één bewoner in beginsel voldoende. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden (Kamerstukken II 1984/85, 19073, nrs. 1-3, p. 10). Dit betreft echter niet de in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, bestemd tot exclusief woongebruik van die andere bewoners. Gelet op de woonsituatie was toestemming van S. als hoofdbewoner van de woning voldoende voor het, ook ten aanzien van betrokkene, rechtmatig binnentreden in de woning, behoudens de door hem gehuurde kamer. Het huisrecht van betrokkene is dus in zoverre niet geschonden.

Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat de verklaring die S. tijdens het bezoek van de opsporingsambtenaren heeft afgelegd niet als onrechtmatig verkregen bewijs buiten aanmerking moet blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand van betrokkene. De Rb. heeft dit niet onderkend.

De Raad is i.c. van oordeel dat appellant bevoegd was de bijstand van betrokkene met toepassing van art. 54, lid 3, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Betrokkene heeft de wijze waarop appellant van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden. Aangevallen uitspraak vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1, geldigheid: 2012-12-03
Wet werk en bijstand 53a, geldigheid: 2012-12-03
Wet werk en bijstand 54, geldigheid: 2012-12-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/16 met annotatie van A. Moesker
JWWB 2013/75
RSV 2013/34

Uitspraak

11/1575 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 februari 2011, 10/1102 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Zundert (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 3 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.G. Knops. Voor betrokkene is verschenen mr. drs. C.G. Matze, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft over de periode van 28 januari 2008 tot en met 23 april 2009 bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Deze norm is verhoogd met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm omdat betrokkene volgens zijn opgave inwoont bij zijn broer [S.] aan het adres [adres]).

1.2. Naar aanleiding van berichten van re-integratiebedrijf Fourstar dat betrokkene regelmatig niet verschijnt op afspraken en op zijn werk, gevoegd bij het gegeven dat betrokkene evenmin adequaat reageert op oproepen voor een gesprek met zijn bijstandsconsulent, is er bij appellant twijfel gerezen over de feitelijke woonsituatie van betrokkene.

1.3. Deze twijfel is voor appellant aanleiding geweest om opsporingsambtenaren van de afdeling Fraudebestrijding van de Directie Sociale Zaken van de gemeente Breda (opsporingsambtenaren) een onderzoek te laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is de woning aan de [adres] bezocht en hebben [S.] en betrokkene een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 mei 2009.

1.4. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft appellant bij besluit van 11 juni 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 april 2010 (bestreden besluit), de bijstand van betrokkene met ingang van 24 april 2009 beëindigd (lees: ingetrokken). Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat betrokkene in strijd met zijn inlichtingenverplichting appellant niet heeft meegedeeld dat hij niet (meer) verbleef op het door hem opgegeven adres aan de [adres]. Als gevolg hiervan kan appellant niet vaststellen of betrokkene nog recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de verklaring die [S.] tijdens het huisbezoek op 24 april 2009 heeft afgelegd als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moet blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand van betrokkene. Bij gebreke van ander bewijs voor de schending van de inlichtingenverplichting van betrokkene ten aanzien van zijn woonsituatie berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het beroep van betrokkene gegrond is verklaard. Volgens appellant kan de onrechtmatigheid van het huisbezoek zich slechts uitstrekken tot het betreden van de door betrokkene in de woning van [S.] gehuurde kamer. Over de rest van de woning heeft betrokkene geen huisrecht. Er is daarom geen aanleiding om de op 24 april 2009 door [S.] afgelegde verklaring als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing te laten. Subsidiair stelt appellant dat de verklaring toelaatbaar is omdat geen sprake is van een handelen dat indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 24 april 2009 tot en met 11 juni 2009.

4.2. [S.] was in de te beoordelen periode hoofdbewoner van de woning aan de [adres]. Betrokkene huurde een kamer van [S.] in deze woning. De opsporingsambtenaren zijn op 24 april 2009 naar deze woning gegaan om een huisbezoek af te leggen. Betrokkene bleek niet aanwezig. [S.] heeft de opsporingsambtenaren toestemming verleend de woning te betreden nadat zij zich hadden gelegitimeerd en het doel van hun komst hadden meegedeeld. Vervolgens hebben de opsporingsambtenaren eveneens met toestemming van [S.] de kamer van betrokkene bezichtigd. Tot slot heeft [S.] in zijn woning tegenover de opsporingsambtenaren een verklaring afgelegd die er in de kern op neerkomt dat betrokkene sinds een half jaar geen hoofdverblijf heeft in deze woning. Betrokkene heeft op 25 mei 2009 op het kantoor van Sociale Zaken van de gemeente Zundert tegenover de opsporingsambtenaren een verklaring afgelegd. Daarbij heeft hij de op 24 april 2009 door zijn broer afgelegde verklaring over zijn woonsituatie weersproken.

4.3. Niet in geschil is dat de opsporingsambtenaren, door zonder toestemming van betrokkene diens kamer te betreden, inbreuk hebben gemaakt op zijn huisrecht. Dit betekent volgens vaste rechtspraak (CRvB 12 januari 2010, LJN BK8928), zoals het college ook heeft erkend, dat wat de opsporingsambtenaren in de kamer van betrokkene hebben waargenomen als onrechtmatig verkregen bewijs bij de beoordeling van recht op bijstand van betrokkene buiten beschouwing dient te blijven.

4.4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ook de verklaring van [S.] buiten beschouwing moet blijven wegens schending van het huisrecht van betrokkene. Appellant stelt daartoe dat het huisrecht van betrokkene beperkt is tot diens kamer. De ambtenaren hadden dus geen toestemming van betrokkene nodig om in een ander deel van de woning binnen te treden. De aldaar afgelegde verklaring van [S.] is daarom geen onrechtmatig verkregen bewijs. Betrokkene betoogt dat zijn huisrecht de gehele woning omvat en dat de opsporingsambtenaren dus alleen met zijn toestemming de woning mochten binnentreden.

4.5. Bij het onder 1.3 vermelde huisbezoek hebben de ambtenaren waargenomen dat de kamer van betrokkene een slaapkamer aan de achterkant van de woning betreft met daarin alleen een matras, manden met kleding en een kledingkast. Betrokkene moest dus, om daar te kunnen wonen, gebruik maken van andere ruimten in de woning en de toegang tot de woning. In die situatie is het huisrecht van betrokkene niet beperkt tot slechts deze kamer. Dit volgt uit de onder 4.6 te noemen wetsgeschiedenis.

4.6. Indien echter één bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent, maken de binnentredende ambtenaren in beginsel geen inbreuk op het huisrecht van de overige bewoners. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet op het binnentreden is voor het binnentreden de toestemming van één bewoner in beginsel voldoende. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden (Kamerstukken II 1984/85, 19073, nrs. 1-3, p. 10). Dit betreft echter niet de in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, bestemd tot exclusief woongebruik van die andere bewoners. Gelet op de onder 4.2 weergegeven woonsituatie was toestemming van [S.] als hoofdbewoner van de woning voldoende voor het, ook ten aanzien van betrokkene, rechtmatig binnentreden in de woning, behoudens de door hem gehuurde kamer. Het huisrecht van betrokkene is dus in zoverre niet geschonden.

4.7. Hetgeen onder 4.6 is overwogen betekent dat de verklaring die [S.] tijdens het bezoek van de opsporingsambtenaren heeft afgelegd niet als onrechtmatig verkregen bewijs buiten aanmerking moet blijven bij de beoordeling van het recht op bijstand van betrokkene. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad met inachtneming van de verklaring van [S.] het bestreden besluit beoordelen.

4.8. Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit. Daarbij is het aan appellant om de nodige kennis omtrent de relevante omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op appellant rust. Het ligt daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode niet in de woning van [S.] woonde.

4.9. [S.] heeft verklaard dat in de kamer van betrokkene drie manden met kleding van hem staan en een matras maar dat er geen post of andere persoonlijke spullen van betrokkene aanwezig zijn. Voorts heeft hij verklaard dat betrokkene sinds een half jaar zijn hoofdverblijf niet meer bij hem in de woning heeft, dat betrokkene verslaafd is, eigenlijk een zwerversbestaan leidt, bij familieleden en kennissen verblijft en op wisselende tijden zijn post komt ophalen.

4.9.1. Deze verklaring is op ambtseed opgemaakt en door [S.], na voorlezing, ondertekend. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag ook indien de betrokkene later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen worden uitgegaan van de juiste weergave van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. [S.] heeft met zijn stelling dat hij uit boosheid op zijn broer aanvankelijk geen juiste verklaring heeft afgelegd, niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.9.2. De verklaring van [S.] is concreet, gedetailleerd en consistent. Met deze verklaring, gevoegd bij het gegeven dat betrokkene zich op 27 mei 2009 bij de gemeente heeft gemeld om zich uit te laten schrijven van het adres [adres] en in aanmerking genomen de onder 1.2 weergegeven aanleiding voor het rechtmatigheidsonderzoek, heeft appellant aannemelijk gemaakt dat betrokkene niet meer woonde op het door hem opgegeven adres waardoor het recht op bijstand van betrokkene niet langer kon worden vastgesteld. Appellant was dan ook bevoegd de bijstand van betrokkene met ingang van 24 april 2009 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Betrokkene heeft de wijze waarop appellant van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.10. Hetgeen onder 4.4 tot en met 4.9.2. is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard. Daarbij merkt de Raad op dat de vernietiging zich tevens uitstrekt tot de beslissing van de rechtbank om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,--. De beslissingen van de rechtbank appellant te gelasten tot vergoeding van het griffierecht van € 41,-- en hem te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 109,25 worden echter niet geacht onderdeel uit te maken van het geding in hoger beroep, zodat de vernietiging van de aangevallen uitspraak zich niet mede uitstrekt tot deze beslissingen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 april 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.M. Tason Avila