Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY3938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2012
Datum publicatie
23-11-2012
Zaaknummer
10-3927 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

PGB. Huishoudelijke hulp. Extra huishoudelijke hulp toegekend in verband met het uitpakken en opbergen van de boodschappen die door de boodschappendienst worden bezorgd. De kosten van bezorging zijn niet zodanig dat deze naar geldende maatschappelijke opvattingen niet tot het gangbare gebruiks- of bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behoren. Ook het minimum bestedingsbedrag per bezorging is niet zodanig hoog dat het gebruik van de boodschappendienst niet tot de reële mogelijkheden voor appellant behoort. Overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3927 WMO, 10/3928 WMO, 11/2153 WMO, 11/2196 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen twee uitspraken van de rechtbank Breda van 21 juni 2010, 09/4413 en 09/4414 (aangevallen uitspraak I onderscheidenlijk aangevallen uitspraak II)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (college)

Datum uitspraak: 14 november 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.P.A. van Beers, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college een nadere beslissing genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak I en bij besluit van 19 november 2010 heeft het college een nadere beslissing genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak II.

Mr. Van Beers heeft namens appellant gronden tegen het besluit van 19 november 2010 ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 10 oktober 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Beers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.A.M. Boomaerts.

OVERWEGINGEN

1.1. Het college heeft bij besluit van 9 oktober 2007 appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 10 juli 2007 tot en met 9 juli 2009 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden in een omvang van zes uur per week, te verzorgen door Thuiszorg West-Brabant.

1.2. Bij besluit van 25 januari 2008 heeft het college het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 17 juli 2008 heeft het college appellant voor de periode van 10 maart 2008 tot en met 9 maart 2013 in aanmerking gebracht voor uitbreiding van de omvang van hulp bij het huishouden naar zeven uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 29 oktober 2008 is de omvang van de bij besluit van 17 juli 2008 toegekende hulp bij het huishouden met ingang van 14 januari 2008 uitgebreid naar 8,5 uur per week. Aan dit besluit ligt mede ten grondslag dat voor het doen van boodschappen geen huishoudelijke hulp nodig is, omdat appellant gebruik kan maken van een boodschappendienst en de lichte boodschappen zelf kan doen.

1.5. Bij uitspraak van 10 juni 2009 (08/1121) heeft de rechtbank Breda het beroep tegen het besluit van 25 januari 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift van appellant te nemen. De overwegingen van de rechtbank komen er - voor zover van belang - op neer dat het college geen rekening behoefde te houden met huishoudelijke hulp die nodig zou zijn voor het doen van boodschappen.

1.6. Bij een andere uitspraak van gelijke datum (08/5292) heeft de rechtbank Breda ook het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift van appellant te nemen. Het oordeel van de rechtbank komt er op neer dat er

- in verband met het gebruik van een boodschappendienst - onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van appellant om voorwerpen vast te houden, en verder dat het college geen rekening behoefde te houden met huishoudelijke hulp die nodig zou zijn voor de was in verband met extra vervuiling.

1.7. Bij besluit van 15 oktober 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2007 gegrond verklaard en appellant in aanmerking gebracht voor 2,5 uur per week extra hulp bij het huishouden voor de periode van 10 juli 2007 tot 14 januari 2008. De bij besluit van 9 oktober 2007 toegekende hulp bij het huishouden en de extra aanvulling daarop worden toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget. Voor de periode van 10 juli 2007 tot 14 januari 2008 leidt dit - onder aftrek van de al door Thuiszorg West-Brabant in natura geleverde huishoudelijke hulp - tot een nabetaling van € 1.175,04 onder de voorwaarde dat nadere bewijsstukken van betaling van huishoudelijke hulp worden overgelegd. Er is geen hulp toegekend voor het doen van boodschappen.

1.8. Bij besluit van 10 november 2009 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juli 2008 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat het college, nu tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2009 geen hoger beroep is ingesteld, in het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit van 15 oktober 2009 niet meer hoefde in te gaan op hetgeen door appellant in een aanvullend bezwaarschrift is gesteld over het doen van boodschappen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het formulier ‘periode-urenstaat Alpha’ van de thuiszorgorganisatie blijkt dat de alphahulp [E.] op 30 november 2009 hulp heeft verleend.

2.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak I heeft het college bij besluit van 28 juli 2010 (bestreden besluit 3) het bezwaar gegrond verklaard en besloten tot een nabetaling van € 304,64. Daarbij is het college ervan uitgegaan dat op 30 november 2007 vier uur hulp bij het huishouden is geleverd door Thuiszorg West-Brabant, zodat voor deze uren geen nabetaling plaatsvindt.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank - voor zover van belang - het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat uit het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van Argonaut de beperkingen van appellant bij het doen van boodschappen onvoldoende blijken, dat hulp vragen bij het doen van boodschappen afbreuk doet aan de zelfredzaamheid en dat bij gebruik van een boodschappendienst onvoldoende is onderzocht of appellant de boodschappen thuis kan uitpakken en opbergen. De rechtbank heeft verder overwogen, dat het college, nu tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2009 (08/5292) geen hoger beroep is ingesteld, in het ter uitvoering van die uitspraak genomen bestreden besluit 3 niet meer hoefde in te gaan op hetgeen door appellant in een aanvullend bezwaarschrift is gesteld over extra hulp bij het huishouden voor wassen en strijken.

2.4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak II heeft het college bij besluit van 19 november 2010 (bestreden besluit 4) het bezwaar gegrond verklaard. Met ingang van 14 januari 2008 is alsnog 15 minuten per week extra huishoudelijke hulp toegekend in verband met het uitpakken en opbergen van de boodschappen die door de boodschappendienst worden bezorgd. De kosten van de boodschappendienst van Spar zijn € 2,-- per bezorging. Verder kan appellant met de computer, telefoon of fax de boodschappen bestellen. De verhoging van de omvang van de toegekende huishoudelijke zorg leidt over de jaren 2008 (vanaf 14 januari) tot en met 2010 tot een nabetaling van € 477,76.

3.1 In hoger beroep voert appellant tegen de aangevallen uitspraak I (geding 10/3927) en bestreden besluit 3 (geding 11/2196) aan dat het college bij het bestreden besluit 1 een ex nunc toetsing had moeten uitvoeren en daarom wel rekening had moeten houden met de benodigde hulp bij het doen van boodschappen. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat op 30 november 2009 geen huishoudelijke hulp is geboden door de thuiszorgorganisatie. Ter zitting heeft hij het originele doorslag van de versie van de urenstaat overgelegd.

3.2. In het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak II (geding 10/3928) en bestreden besluit 4 (geding 11/2153) betoogt appellant dat het college ook bij het bestreden besluit 2 een ex nunc toetsing had moeten uitvoeren en daarom wel rekening had moeten houden met de benodigde hulp voor extra wassen en strijken. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat van hem niet gevergd kan worden dat hij gebruik maakt van een boodschappendienst. Dit doet afbreuk aan zijn zelfredzaamheid, aangezien hij daardoor verplicht is thuis te blijven om te wachten op bezorging van de boodschappen. Bovendien kan hij zijn boodschappen niet plaatsen via de telefoon of fax. Over een fax beschikt hij niet en over de telefoon is hij in verband met zijn beperkingen niet te verstaan. Ten slotte miskent het college dat de boodschappen in de door hem genoemde winkel duurder zijn dan de boodschappen in een supermarkt, nog daargelaten de kosten van bezorging. Appellant verzoekt om tijd voor het opstellen van een boodschappenlijstje, temeer nu het college zich op het standpunt stelt dat hij zijn boodschappen via de computer moet bestellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De ter uitvoering van de beide aangevallen uitspraken genomen beslissingen op bezwaar (bestreden besluit 3 en bestreden besluit 4) zijn besluiten die met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling moeten worden betrokken.

4.2. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 10 juni 2009 een bindend oordeel gegeven over het niet verstrekken van hulp bij het huishouden voor het doen van boodschappen (08/1121) en extra wassen en strijken (08/592). Partijen zijn niet opgekomen tegen deze uitspraken zodat deze gezag van gewijsde hebben gekregen. Appellant stelt terecht dat de hoofdregel is dat een bestuursorgaan bij zijn beslissing op bezwaar ex nunc heroverweegt maar in dit geval is door het bindend oordeel van de rechtbank sprake van een begrenzing van de omvang van de ter uitvoering van de aangevallen uitspraken te nemen beslissingen op bezwaar. Het college heeft - op dit punt - bij de bestreden beslissingen 1 en 2 overeenkomstig het eerdere oordeel van de rechtbank uitvoering gegeven aan deze uitspraken. Dit betekent dat de aangevallen uitspraken I en II op dit punt juist zijn.

4.3. Tussen partijen is voorts in geschil of de alfahulp [E.] van Thuiszorg West-Brabant al of niet op 30 november vier uur huishoudelijke werkzaamheden voor appellant heeft verricht. Tot de gedingstukken behoort een kopie van het voor de thuiszorgorganisatie bestemde exemplaar van de ‘periode-urenstaat Alpha’ met betrekking tot periode 12 van 2007 met handtekeningen van appellant en van de alfahulp en een paraaf van een medewerker van Thuiszorg West-Brabant. Op deze kopie staat vermeld dat op 30 november 2007 vier uur door [E.] is gewerkt en dat in periode 12 in totaal acht uur door [E.] bij appellant is gewerkt. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting een originele carbondoordruk van het exemplaar van dit formulier, dat voor de cliënt is bestemd, overgelegd, waarop handtekeningen van de alfahulp en van appellant zijn geplaatst. Op dit formulier is de datum 30 november 2007 blanco gebleven en bij het totaal aantal uren voor periode 12 is in doordruk vaag leesbaar “16 uur”, terwijl daar met pen een “4” overheen is geplaatst. Nu voor deze latere wijziging geen verklaring is, houdt de Raad het er daarom voor dat de kopie van het voor de thuiszorgorganisatie bestemde exemplaar een juiste weergave is van de aan appellant geboden hulp op 30 november 2007. Dit betekent dat de beroepsgrond tegen bestreden besluit 3 niet slaagt en dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak I op dit punt juist heeft geoordeeld.

4.4.1. Verder verschillen partijen van mening over de vraag of van appellant gevergd kan worden dat hij gebruik maakt van een boodschappendienst en of dat feitelijk, gezien zijn beperkingen, realiseerbaar is.

4.4.2. Het college hanteert bij de indicatiestelling voor hulp bij het huishouden het ‘Protocol Indicatiestelling voor Hulp bij het Huishouden gemeente Rucphen’ (Protocol). Hierin is vastgelegd dat van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een boodschappendienst gebruik moet worden gemaakt, voor zover zich geen ernstige beletselen voordoen. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Rucphen is een voorziening algemeen gebruikelijk als deze naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- of bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behoort.

4.4.3. Naar het oordeel van de Raad doet het gebruik van een boodschappendienst geen afbreuk aan de zelfredzaamheid van appellant. Hij is immers voor het doen van de boodschappen al aangewezen op hulp van een derde, aangezien hij zwaardere boodschappen niet kan tillen en een beperkte grijpfunctie heeft. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij beperkt wordt in zijn zelfredzaamheid, omdat hij voor de bezorging van de boodschappen thuis moet blijven. De Raad volgt appellant hierin niet. Hij kan immers afspraken maken met de winkel over bezorgtijdstippen en hij kan deze ook laten bezorgen op het moment dat de huishoudelijke hulp aanwezig is. Bovendien zal een bezorging zich slechts één à twee keer per week voordoen.

4.4.4. Het college heeft aangetoond dat de Spar te [C.] een boodschappendienst heeft die in [D.] bezorgt. De kosten van bezorging zijn (ten tijde in geding) € 2,-- per keer met een minimum bestedingsbedrag van € 35,--. Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Naar het oordeel van de Raad zijn de kosten van bezorging niet zodanig dat deze naar geldende maatschappelijke opvattingen niet tot het gangbare gebruiks- of bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behoren. Ook het minimum bestedingsbedrag per bezorging is niet zodanig hoog dat het gebruik van de boodschappendienst niet tot de reële mogelijkheden voor appellant behoort. Dat de boodschappen bij deze Spar veel duurder zijn, is door appellant niet onderbouwd. Daarnaast moet het voor appellant mogelijk zijn per scootmobiel een incidentele boodschap te doen.

4.4.5. Appellant, die alleenstaand is, heeft ook aangevoerd dat het voor hem niet mogelijk is een boodschappenlijst aan de winkel door te geven, aangezien hij slecht verstaanbaar is. De spraakproblemen ziet de Raad bevestigd in het rapport van Argonaut van 29 september 2009. Aan de motivering van bestreden besluit 4 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn boodschappen kan bestellen met de computer waarover hij beschikt. Deze is hem door het college op 12 februari 2010 op grond van de Wet werk en bijstand verstrekt. De Raad is van oordeel dat appellant in de periode van 14 januari 2008 tot 12 februari 2010 niet in staat was zijn bestelling aan de supermarkt door te geven, omdat hij in die periode niet beschikte over een computer of fax en ten gevolge van zijn spraakprobleem ook telefonisch zijn bestelling niet kenbaar kon maken. De boodschappendienst kan dan ook alleen als compensatie van de beperkingen van appellant gelden als hem niet alleen extra minuten voor het uitpakken en opbergen van de boodschappen worden toegekend, maar ook voor het doorgeven van de boodschappen aan de winkel. Dit betekent dat met de in het bestreden besluit 4 toegekende hulp bij het huishouden geen compensatie als bedoeld in artikel 4 van de Wmo is geboden, zodat dit besluit wegens strijd met die bepaling voor vernietiging in aanmerking komt.

4.4.6. De Raad ziet aanleiding, mede gezien de lange duur van de procedure (hierop wordt in 4.5 verder ingegaan), met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2008 wordt gegrond verklaard. Mede gelet op de totale tijd die in het Protocol is berekend voor het doen van boodschappen, acht de Raad per week 10 minuten extra aangewezen in de periode van

14 januari 2008 tot 12 februari 2010. Uitgaande van de door het college gehanteerde tarieven en analoog aan de besluitvorming van het college over noodzakelijke tijd voor het uitpakken en opbergen van de boodschappen betekent dit een extra nabetaling van:

voor 2008 (vanaf 14 januari):

51 weken x 10 minuten = 510 minuten = 8,5 uur x € 10,88 = € 92,48

voor 2009:

52 weken x 10 minuten = 520 minuten = 8 uur en 40 minuten x € 13,04 = € 113,01

voor 2010 (tot 12 februari):

6 weken x 10 minuten = 60 minuten= 1 uur x € 13,04 = € 13,04

totaal: 218,53

Bestreden besluit 4 wordt in zoverre gewijzigd.

4.5. De wirwar van aanvragen, besluiten en (gedeeltelijke) gegrondverklaringen van gemaakte bezwaren en ingestelde beroepen ontnemen het zicht op de uiteindelijke rechtspositie van appellant. Daarom wordt deze hier kort weergegeven. Appellant heeft nu, alles op persoonsgebonden budgetbasis, uiteindelijk recht op huishoudelijke hulp naar een omvang van:

periode 10 juli 2007 tot 14 januari 2008: 8,5 uur per week

periode van 14 januari 2008 tot 10 december 2009: 8 ¾ uur per week

periode van 10 december 2009 tot 12 februari 2010: 9 ¼ uur per week

periode van 12 februari 2010 tot 9 maart 2013: 9 uur per week.

4.6.1. Appellant heeft ter zake van de lange duur van de procedure de Raad verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.6.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Onder omstandigheden kan er aanleiding zijn overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.

4.6.3.Voorts is van belang dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 24 maart 2009 (LJN BH9991), in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

4.6.4. Voor zaak 10/3927 in samenhang met zaak 11/2196 betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college op 22 oktober 2007 van het eerste bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en één maand verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 27 februari 2008 tot de uitspraak op 10 juni 2009 één jaar en ruim drie maanden, dus minder dan anderhalf jaar heeft geduurd. De behandeling van het tweede beroep door de rechtbank en het daarop volgende hoger beroep vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 8 oktober 2009 tot de datum van deze uitspraak hebben samen minder dan drie en een half jaar geduurd, zodat in de tweede rechterlijke fase geen sprake is van een te lange behandelingsduur. Hieruit volgt dat de redelijke termijn uitsluitend in de bestuurlijke fase is geschonden.

4.6.5. In de zaak 10/3928 in samenhang met zaak 11/2153 zijn vanaf de ontvangst door het college op 28 juli 2008 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak vier jaar en krap vier maanden verstreken. Ook hier heeft de Raad noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De behandeling van het tweede beroep door de rechtbank en het daarop volgende hoger beroep vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 6 november 2008 tot de datum van deze uitspraak hebben samen minder dan drie en een half jaar geduurd, zodat in de tweede rechterlijke fase geen sprake is van een te lange behandelingsduur. Hieruit volgt dat ook in deze zaak de redelijke termijn uitsluitend in de bestuurlijke fase is geschonden.

4.6.6. De Raad acht het aannemelijk dat appellant als gevolg van de lange duur in beide procedures een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. Daarom veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van de door appellant geleden immateriële schade. Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De Raad stelt de door het college te betalen schadevergoeding vast op een bedrag van drie maal € 500,--, dat is € 1.500,-- in de procedure genoemd in 4.6.4 en op € 500,-- in de procedure genoemd in 4.6.5.

Conclusie en slotbepaling

4.7.1. Uit 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak I, voor zover aangevochten, en de aangevallen uitspraak II voor bevestiging in aanmerking komen. Uit 4.6.5 en 4.6.6 vloeit voort dat het beroep tegen het bestreden besluit 3 uitsluitend vanwege schending van de redelijke termijn gegrond zal worden verklaard en dat dit besluit vernietigd zal worden. Uit 4.3 volgt dat die beslissing inhoudelijk wel juist is en daarom zullen de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand worden gelaten. Uit 4.4.5 volgt dat het bestreden besluit 4 niet juist is en voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad stelt daar in 4.4.6 zelf een beslissing voor in de plaats. Deze beslissing komt er op neer dat appellant over de periode van 14 januari 2008 tot 12 februari 2010 10 minuten per week extra hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb wordt toegekend, hetgeen over die periode leidt tot een nabetaling van € 218,53. Ten slotte zal het college, gelet op 4.6.6, wegens trage besluitvorming worden veroordeeld tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000,--.

4.7.2. De Raad ziet aanleiding om in geding 11/2153 het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep voor verleende rechtsbijstand. In de overige gedingen is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

gedingen 10/3927 en 11/2196

- bevestigt de aangevallen uitspraak I, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 2010 ( bestreden beslissing 3) gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 juli 2010 in stand blijven;

- veroordeelt het college tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,--;

gedingen 10/3928 en 11/2153

- bevestigt aangevallen uitspraak II, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 november 2010 (bestreden beslissing 4) gegrond en vernietigt dit besluit, voor zover geen compensatie is geboden voor de beperkingen van appellant bij het doorgeven van boodschappen aan de winkel;

- voorziet zelf in de zaak op de wijze als is vermeld in 4.4.6;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 25 november 2010;

- veroordeelt het college tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,--;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,-- te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en J.P.M. Zeijen en G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2012.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) J.T.P. Pot