Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY3206

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2012
Datum publicatie
19-11-2012
Zaaknummer
11/973 WWB + 11/974 WWB + 12/2493 WWB + 12/4174 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Het verblijf gedurende een periode van vijf maanden, op een camping, buiten de gemeente moet worden aangemerkt als een feit waarvan het aan appellanten redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit van belang kon zijn voor de verlening van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 63.1
Wet werk en bijstand 40.1
Wet werk en bijstand 54.3a
Wet werk en bijstand 58.1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/973 WWB, 11/974 WWB, 12/2493 WWB, 12/4174 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 januari 2011, 10/3431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)

Datum uitspraak 13 november 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend, waarop mr. Frerix heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Frerix. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.A. Rijnders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 22 september 1994 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Zij hebben een minderjarige zoon, [naam zoon], geboren [in] 1995.

1.2. In het kader van een themacontrole heeft het college bij appellanten bankafschriften opgevraagd. Uit de overgelegde bankafschriften is gebleken dat appellanten geld hebben opgenomen in Heerlen en belasting voor een auto hebben betaald. De geldopnamen in Heerlen en het vermoeden dat auto’s met een behoorlijke waarde in het bezit van appellant waren of waren geweest, vormden voor het college aanleiding een nader onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 8 februari 2010.

1.3. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het college bij besluit van 18 maart 2010 de bijstand van appellanten over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 augustus 2009 ingetrokken, op de grond - voor zover hier van belang - dat appellanten hebben verzwegen dat zij elk jaar van omstreeks 1 april tot en met omstreeks 31 augustus buiten de gemeente Wageningen hebben verbleven, namelijk op camping [naam camping] te [vestigingsplaats] (Limburg). Zij hadden hierdoor in genoemde perioden geen woonplaats in Wageningen. Het college heeft de over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 augustus 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 66.058,86 van appellanten teruggevorderd, met het verzoek dit bedrag binnen zes weken na verzending van het besluit over te maken naar de bankrekening van de gemeente Wageningen.

1.4. Bij besluit van 9 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 18 maart 2010 ongegrond verklaard, onder aanpassing van de periode in die zin dat appellanten geen recht op bijstand hadden van 2000 tot en met 2009, jaarlijks tussen 1 april en 1 september. Het terugvorderingsbedrag is gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

3.1. Het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft aan appellant met ingang van 22 mei 2006 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend. In verband daarmee heeft het college, hangende het hoger beroep, bij besluit van 28 december 2011 (nader besluit 1), voor zover van belang, het na bezwaar gehandhaafde besluit van 18 maart 2010 in die zin gewijzigd dat de bijstand van appellanten met ingang van 22 mei 2006 geheel wordt ingetrokken en dat appellanten het teruggevorderde bedrag dienen af te lossen met € 74,-- per maand. Bij besluit van eveneens 28 december 2011 (nader besluit 2) heeft het college appellanten meegedeeld dat de over de periode van 22 mei 2006 tot en met 30 september 2011 verstrekte bijstand wordt verrekend met de door het Uwv aan appellant verstrekte Wajonguitkering en dat in verband daarmee besloten is de in het besluit van 18 maart 2010 genoemde terugvorderingsperiode te wijzigen in de periode van 1 april tot en met 31 augustus in de jaren 2000 tot en met 2005 en de periode van 1 april 2006 tot en met 21 mei 2006. In verband met bedoelde verrekening heeft het college de hoogte van het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 40.166,37.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De Raad merkt het nader besluit 1 en het nader besluit 2 aan als besluiten die met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling in hoger beroep worden betrokken.

4.1.2. Met het nader besluit 2 heeft het college de in het bestreden besluit neergelegde perioden waarover de bijstand wordt teruggevorderd gewijzigd en het uiteindelijk van appellanten teruggevorderde bedrag verlaagd. Dit brengt mee dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven voor zover dat ziet op de terugvordering. Als gevolg hiervan komt ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

4.1.3. De onverkorte intrekking van de bijstand met ingang van 22 mei 2006 in verband met de toekenning van een Wajong-uitkering aan appellant is tussen partijen niet in geschil. Dit betekent dat ter beoordeling voorligt de periode van 1 april tot en met 31 augustus in de jaren van 2000 tot en met 2005 en de periode van 1 april 2006 tot en met 21 mei 2006.

4.2.1. In artikel 63, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 40, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2.2. Volgens artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

4.2.3. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2.4. Niet in geschil is dat appellanten in de periode van 2000 tot en met 21 mei 2006 jaarlijks gedurende zeven maanden per jaar hun woonplaats in Wageningen hadden en dat zij in die periode jaarlijks van 1 april tot en met 31 augustus - vijf maanden - op een camping in [vestigingsplaats] verbleven. In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat zij in die vijf maanden veelvuldig, maar niet onafgebroken in Limburg verbleven. Ter zitting hebben appellanten bevestigd dat dit betekent dat zij in die maanden hoofdzakelijk verblijf hebben gehouden in [vestigingsplaats] en dat zij van daaruit incidenteel en kort in Wageningen hebben verbleven. Wat partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of appellanten gedurende hun jaarlijkse verblijf in [vestigingsplaats] daar ook hun woonplaats hadden in de zin van de artikelen 63, eerste lid, van de Abw en 40, eerste lid, van de WWB.

4.2.5. Gelet op 4.2.4 staat vast dat appellanten in de periode van 2000 tot en met 21 mei 2006 ieder jaar een substantieel deel van het jaar hoofdzakelijk op de camping in [vestigingsplaats] hebben verbleven. Verder is jaarlijks steeds sprake geweest van hetzelfde patroon van afwisselend verblijf in Wageningen en in [vestigingsplaats]. Dit duidt erop dat appellanten in die periode in feite afwisselend op twee adressen woonachtig zijn geweest. Appellanten beschouwden het jaarlijkse verblijf in [vestigingsplaats] niet als een (langere) vakantie, maar, zo hebben zij ter zitting verklaard, zij waren vanwege de innerlijke onrust van appellant en zijn drang om zich te verplaatsen gehouden om daar een deel van het jaar te verblijven. Voorts komt zwaarwegende betekenis toe aan de omstandigheid dat appellanten hun zoon ieder jaar voor de maanden van april tot september hebben ingeschreven op een school in of rond [vestigingsplaats] en dat hun zoon daar ook daadwerkelijk onderwijs heeft gevolgd. Appellanten keerden tijdens hun verblijf in [vestigingsplaats] slechts af en toe voor kortere tijd terug naar Wageningen in verband met het voetbal van hun zoon dan wel voor het bijhouden van hun administratie. Het normale dagelijkse leven met de daarbij behorende sociale contacten speelde zich echter ieder jaar in de periode van april tot en met augustus af in [vestigingsplaats]. Dit leidt tot de conclusie dat appellanten in de periode van 1 april tot en met 31 augustus in de jaren 2000 tot en met 2005 en van 1 april 2006 tot en met 21 mei 2006 hun woonplaats in [vestigingsplaats] hebben gehad. Dat appellanten in Wageningen ingeschreven zijn gebleven, in september steeds terugkeerden naar Wageningen en de huur voor hun woonwagen daar doorbetaalden en dat hun post ongewijzigd op het adres in Wageningen aankwam, is onvoldoende om aan te nemen dat zij in genoemde perioden hun woonplaats feitelijk in Wageningen hadden.

4.3. Het verblijf gedurende een periode van vijf maanden buiten de gemeente moet worden aangemerkt als een feit waarvan het aan appellanten redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit van belang kon zijn voor de verlening van bijstand. Op het tot 1 januari 2005 maandelijks in te vullen formulier rechtmatigheidsonderzoek kwam ook de vraag voor of sprake is geweest van tijdelijk verblijf elders. Door op deze formulieren geen melding te maken van het verblijf in [vestigingsplaats], na 1 januari 2005 geen mutatieformulieren in te leveren en het college ook niet op andere wijze te informeren over hun jaarlijks verblijf buiten de gemeente Wageningen, hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Hun betoog dat zij niet hadden hoeven begrijpen dat zij hiervan melding moesten maken, wordt niet gevolgd.

4.4. De beroepsgrond van appellanten dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, slaagt niet. Ingevolge punt 6 van de van toepassing zijnde beleidsregels inzake terugvordering (beleidsregels) kan het college van terugvordering afzien indien daartoe een dringende reden aanwezig is. Volgens de toelichting bij de beleidsregels kan daarvan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellanten - ook al in beroep aangevoerde - omstandigheid dat zij niet in de gelegenheid zijn om anders dan een uitkering inkomen te genereren, geen dringende reden oplevert in de zin van de beleidsregels. In die omstandigheid noch in hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, zijn bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college van de beleidsregels had moeten afwijken.

4.5. De beroepsgrond van appellanten dat het college ten onrechte de in bezwaar gemaakte kosten niet heeft vergoed, omdat bij het bestreden besluit de perioden waarover de bijstand is ingetrokken en teruggevorderd is gewijzigd, slaagt evenmin. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 23 augustus 2006, LJN AY8044), is van herroepen in de zin van deze bepaling alleen sprake indien het besluit, waartegen het bezwaar is gericht, wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. In dit geval heeft het college bij besluit van 18 maart 2010 weliswaar besloten dat de bijstand over de periode van 1 april 2000 tot en met 31 augustus 2009 in te trekken, maar uit de motivering van dat besluit blijkt duidelijk dat het college het oog heeft gehad op de maanden waarin appellanten buiten Wageningen hebben verbleven. Bovendien is het in het besluit van 18 maart 2010 genoemde bedrag van de terugvordering gebaseerd op de maanden april tot en met augustus in de jaren 2000 tot en met 2009, wat ook blijkt uit de bij dat besluit meegezonden specificatie van het bedrag van de terugvordering. Het college heeft in bezwaar de perioden waarover wordt ingetrokken gespecificeerd door de relevante maanden aan te geven, maar het bedrag van de terugvordering is daarbij ongewijzigd gebleven. Dit leidt tot de conclusie dat bij het bestreden besluit het besluit van

18 maart 2010 niet is herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Nu voorts de bij nader besluit 2 geëffectueerde verlaging van het bij besluit van 18 maart 2010 vastgestelde terugvorderingsbedrag niet een herroeping wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid betreft, is niet voldaan aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb neergelegde voorwaarden voor vergoeding van de door appellanten in bezwaar gemaakte kosten.

4.6. Uit 4.1.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt.

5. Appellanten hebben tegen de besluiten van 28 december 2011, die strekken tot wijziging van het besluit van 18 maart 2010 voor zover dat besluit ziet op de intrekking en terugvordering van bijstand met ingang van 22 mei 2006, geen zelfstandige gronden aangevoerd. De Raad zal de beroepen tegen die besluiten dan ook ongegrond verklaren.

6. Gelet op de uitkomst van dit geding is er geen grond voor een veroordeling tot vergoeding van schade.

7. Gelet op 4.1.2 bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 874,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 augustus 2010 voor zover het

betreft de terugvordering;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 28 december 2011 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten in beroep tot een bedrag van € 874,-- en

in hoger beroep tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.J. Govaers en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.M. Tason Avila

HD