Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY2119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2012
Datum publicatie
05-11-2012
Zaaknummer
11-2084 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Appellante heeft van kasstortingen geen melding gedaan aan het college; schending inlichtingenverplichting. Het betoog van appellante dat zij de kasstortingen niet hoefde te melden omdat deze waren geoormerkt voor het betalen van bekeuringen en dus niet als middel kunnen worden aangemerkt, kan niet slagen. Reeds omdat het om niet onaanzienlijke bedragen gaat, oplopend tot € 410,--, die op haar bankrekening zijn gestort, diende het appellante redelijkerwijs duidelijk te zijn dat deze van invloed kunnen zijn op (de omvang van) het recht op bijstand en dat zij daarvan uit eigen beweging opgave diende te doen. Daarbij is van belang dat het niet aan appellante, maar aan het college is om te beoordelen of al dan niet sprake is van middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2084 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 maart 2011, 10/5154 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak: 30 oktober 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 11/2036 WWB, plaatsgevonden op 18 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klaas. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. Heden wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1. Appellante ontving sinds 4 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. In verband met een zogenoemd statusonderzoek in 2010 heeft appellante op verzoek van het college een overzicht van af- en bijschrijvingen van haar bankrekening bij de ABN AMRO bank over de periode van 4 juni 2009 tot en met 28 februari 2010 verstrekt. Daaruit is onder meer gebleken dat op deze bankrekening kasstortingen hebben plaatsgevonden. Het college heeft appellante verzocht om opheldering te geven over de kasstortingen. Appellante heeft daarop bij brieven van 29 januari 2010 en 8 april 2010 verklaard dat haar broer haar geld heeft gegeven dat zij op haar rekening kon storten om daarmee de bekeuringen te betalen die haar broer met haar auto had veroorzaakt.

Ter onderbouwing van de door haar gestelde gang van zaken heeft appellante een schriftelijke verklaring van haar broer van 9 april 2010 overgelegd, waarin hij ten aanzien van tien met een datum gespecificeerde geldbedragen van in totaal € 2.110,-- verklaart dat deze van hem afkomstig zijn. Ook heeft appellante afschriften van de bekeuringen overgelegd.

1.2. Het college heeft vervolgens bij besluit van 1 juni 2010, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 augustus 2010 (bestreden besluit), de bijstand van appellante vanaf 1 juli 2009 herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 2.130,-- van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft aangetoond dat zij, zoals zij heeft gesteld, de kasstortingen heeft aangewend om de boetes van haar broer te betalen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Om die reden heeft het college de kasstortingen aangemerkt als middelen waarover appellante kon beschikken om te voorzien in haar levensonderhoud. Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet uit eigen beweging opgave van de kasstortingen gedaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante bestrijdt dat zij niet heeft aangetoond dat zij de kasstortingen heeft aangewend om de boetes van haar broer te betalen aan het CJIB. Zij stelt zich op het standpunt dat haar eigen twee verklaringen daarover en de ondersteunende verklaring van haar broer daartoe afdoende zijn. Deze stelling treft geen doel. Uit de bankafschriften blijkt dat de bedragen van de kasstortingen niet overeenkomen met de bedragen die staan genoemd op de beschikkingen van het CJIB. Voorts is er, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, sprake van een ritmeverschil tussen de kasstortingen en de betalingen van de boetes. Deze factoren hebben tot gevolg dat de stortingen niet kunnen worden gerelateerd aan de boetes. Van appellante had dan ook mogen worden verwacht dat zij met objectieve en verifieerbare gegevens haar stelling had onderbouwd dat zij de kasstortingen daadwerkelijk heeft aangewend voor het betalen van de betreffende boetes. Haar eigen verklaringen en die van haar broer zijn niet als zodanig aan te merken.

4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen wordt het standpunt van het college onderschreven dat de kasstortingen moeten worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB.

4.3. Nu vast staat dat appellante van de kasstortingen aan het college geen melding heeft gedaan, heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het betoog van appellante dat zij de kasstortingen niet hoefde te melden omdat deze waren geoormerkt voor het betalen van bekeuringen en dus niet als middel kunnen worden aangemerkt, kan niet slagen. Reeds omdat het om niet onaanzienlijke bedragen gaat, oplopend tot € 410,--, die op haar bankrekening zijn gestort, diende het appellante redelijkerwijs duidelijk te zijn dat deze van invloed kunnen zijn op (de omvang van) het recht op bijstand en dat zij daarvan uit eigen beweging opgave diende te doen. Daarbij is van belang dat het niet aan appellante, maar aan het college is om te beoordelen of al dan niet sprake is van middelen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante te herzien voor zover het totaalbedrag aan kasstortingen in de betreffende maand lager was dan de toepasselijke bijstandsnorm. Appellante heeft de wijze waarop het college van de bevoegdheid tot herziening gebruik heeft gemaakt, niet bestreden.

4.5. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten betstaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en W.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M. Sahin

HD