Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1405

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2012
Datum publicatie
29-10-2012
Zaaknummer
11-2375 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling geen recht op een WIA-uitkering. Medische onderzoek is zorgvuldig, overtuigende motivatie waarom er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML zijn neergelegd. Er is rekening gehouden met de beschikbare medische informatie. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies kunnen voor apppellant in medische opzicht als geschikt worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2375 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2011, 09/4319 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 oktober 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. drs. W. Hoeba, advocaat, heeft mr. Kramer als gemachtigde opgevolgd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2012. Appellant heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen. Namens het Uwv is drs. J.P.A. Loogman verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, heeft zich op 6 april 2007 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens rugklachten, hypertensie, vermoeidheid en hoofdpijn.

1.2. Bij besluit van 18 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd het besluit van 3 april 2009, waarbij is vastgesteld dat appellant met ingang van 3 april 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op

3 april 2009, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor hem geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het maatmanloon levert volgens het Uwv geen verlies aan verdiencapaciteit op.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding heeft gezien het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, noch aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat de medische bevindingen van de verzekeringsartsen niet juist zijn. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 februari 2009 is rekening gehouden met het feit dat appellant geen zware rugbelasting mag ondergaan. In de door appellant in beroep ingebrachte informatie van de huisarts, de neuroloog en de bedrijfsarts ziet de rechtbank, mede gelet op de reacties hierop van de bezwaarverzekeringsarts, geen grond voor het oordeel dat de aangenomen beperkingen onjuist zijn. De rechtbank heeft om die reden geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.

2.2. Ook met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank zich kunnen verenigen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. Volgens de rechtbank heeft hij daarbij ook voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de functie huishoudelijk medewerker geschikt wordt geacht voor appellant.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke en zorgvuldige medische grondslag is gebaseerd en dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Voorts heeft appellant gesteld dat de medische oordelen van de bedrijfsarts en van de verzekeringsartsen elkaar tegenspreken en de rechtbank daarin aanleiding had moeten zien een deskundige te benoemen. Verder heeft appellant aangevoerd dat de functie van huishoudelijk medewerker niet passend is omdat de hierin voorkomende werkzaamheden niet verschillen met de maatmanfunctie waarvoor hij thans niet geschikt wordt geacht. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de overige voor hem geselecteerde functies evenmin geschikt kunnen worden geacht nu deze zijn belastbaarheid overschrijden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geschied en dat in de verzekeringsgeneeskundige rapporten overtuigend is gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML zijn neergelegd. Bij appellant is sprake van hypertensie, diabetes en rugklachten. Deze klachten hebben geleid tot beperkingen ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen. Daarbij is rekening gehouden met de omtrent appellant beschikbare medische informatie. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het door appellant in beroep ingebrachte rapport van 4 oktober 2010 van bedrijfsarts R. Voeten geen twijfel oproept met betrekking tot de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport toereikend heeft onderbouwd dat de door de bedrijfsarts voorgestane beperkingen op geen enkele wijze worden onderbouwd of gemotiveerd en dat zijn conclusies bovendien niet zien op de datum in geding. De rechtbank heeft terecht voor nader medisch onderzoek door een deskundige geen aanleiding gezien.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies van medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten), huishoudelijk medewerker en inpakker (handmatig) als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In dit verband merkt de Raad op dat in de rapportages van (bezwaar)arbeidsdeskundige van 2 april 2009 en 14 augustus 2009 de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering. Met betrekking tot de hoger beroepsgrond van appellant dat de functie van huishoudelijk medewerker gelijk is aan zijn maatmanfunctie en om die reden niet geschikt is te achten verwijst de Raad naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 2 april 2009. In deze rapportage is aangegeven dat appellant in zijn maatmanfunctie zo goed als continue moet staan en lopen, hetgeen gelet op de aangenomen beperkingen op de items staan tijdens het werk en lopen tijdens het werk niet mogelijk is. Nu er in de functie van huishoudelijk medewerker geen sprake is van overschrijdingen op de items lopen en staan (tijdens het werk) is de Raad van oordeel dat die functie terecht ten grondslag kon worden gelegd aan de onderhavige schatting.

4.3. Uit overweging 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Aangezien de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas