Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2012
Datum publicatie
26-10-2012
Zaaknummer
11-570 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het college wordt opgedragen om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/570 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 december 2010, 10/592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

Datum uitspraak: 23 oktober 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Schlepers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2012. Voor appellante is mr. Schlepers verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is in juli 2007 met haar gezin geëmigreerd naar de [D.]. Op 8 augustus 2008 is zij met twee van haar kinderen teruggekomen naar Nederland. Op 12 september en 27 oktober 2008 heeft zij medische behandelingen ondergaan in het Martini Ziekenhuis te Groningen (ziekenhuis) in verband met de ziekte van Crohn.

1.2. Met ingang van 8 november 2008 heeft het college aan appellante bijstand toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3. Appellante heeft op 13 januari 2010 bijzondere bijstand aangevraagd voor op 12 februari 2009 en op 19 november 2009 door het ziekenhuis gefactureerde kosten van € 646,80 en € 537,50, in totaal € 1.184,30.

1.4. Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college onder verwijzing naar artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, de aanvraag afgewezen omdat bijstand voor aflossing van schulden niet mogelijk is. Hieraan ligt het volgende ten grondslag. Appellante beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en niet is gebleken van zeer dringende redenen om toch bijzondere bijstand te verlenen. Dat appellante ten tijde van de ziekenhuisopname geen inkomsten en geen ziektekostenverzekering had, doet hier niet aan af.

1.5. Bij besluit van 27 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft zich onder meer beroepen op het door het college gevoerde beleid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 18 september 2007, LJN BB6227) is voor de beoordeling van de vraag of en in hoeverre sprake is van een aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden zowel de strekking van de aanvraag, zoals die moet worden afgeleid uit de stukken die aan het primaire besluit ten grondslag liggen, als de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag bepalend. Van een schuld is sprake indien de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening zijn gebracht maar nog niet zijn voldaan.

4.2. Tussen partijen is niet langer in geschil dat sprake is van een aanvraag om bijzondere bijstand voor twee schulden.

4.3. Het college hanteert ten aanzien van de aanvraag om bijzondere bijstand beleid. Dit beleid, neergelegd in paragraaf 1.13, luidt als volgt:

“Er kan bijzondere bijstand gevraagd worden voor kosten tot en met 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag (of “melding” voor de aanvraag). De datum van de eerste nota, betaalbewijs of iets dergelijks is bepalend.”

4.4. Dit beleid moet, mede gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen, worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 oktober 2010, LJN BO2070) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of dat beleid op consistente wijze is toegepast.

4.5. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat bijzondere bijstand voor een schuld in beginsel niet mogelijk is. Het beleid moet zo worden begrepen dat een betrokkene zoals appellante, die weet dat er kosten gemaakt zijn, dit direct bij het college dient te melden. Appellante had zich na de behandeling in het ziekenhuis, in ieder geval voordat zij de nota’s kreeg, tot het college moeten wenden met een bewijs van de behandeling. In dat geval was de aanvraag, in afwachting van de nota’s, in behandeling genomen, en zou het college bijzondere bijstand hebben toegekend voor de (nog nader te bepalen hoogte van de) behandelkosten. Wel zou dan bezien worden of appellante wegens het niet verzekerd zijn tegen ziektekosten een verwijt zou kunnen worden gemaakt.

4.6. Anders dan de gemachtigde van het college ter zitting heeft bepleit, biedt het door het college gevoerde beleid, zoals weergegeven in 4.3, geen ruimte voor deze uitleg.

4.7. Vaststaat dat appellante binnen twaalf maanden na ontvangst van de nota’s een aanvraag voor bijzondere bijstand heeft ingediend. Hiervan uitgaande, moet worden vastgesteld dat de besluitvorming van het college, door de aanvraag af te wijzen omdat sprake is van een schuld, niet in overeenstemming is met dat beleid.

4.8. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De Raad acht het niet mogelijk om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Daarbij is van belang dat het college zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat, indien het bestreden besluit geen stand zou houden, bezien moet worden of appellante een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond. Het college wordt daarom opgedragen om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 27 mei 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J.M. Heijs en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) R. Scheffer