Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2012
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
11-263 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Onvoldoende medewerking aan een huisbezoek. De bevindingen van het huisbezoek en de tijdens dat bezoek door appellante afgelegde verklaring vormden een redelijke grond om van appellante te verlangen dat zij inzage zou verschaffen in de vier ordners, de inbouwkasten in de gang en de berging, om verdere duidelijkheid te verkrijgen over haar woon- en leefsituatie. Appellante, voor wier risico het komt dat zij niet over de sleutels beschikte, heeft ook zelf geen andere oplossing aangedragen om alsnog de kasten en de berging te kunnen tonen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat tijdens het onverplicht aangevangen huisbezoek voor appellante een medewerkingsverplichting is ontstaan en dat zij daaraan onvoldoende heeft meegewerkt. Appellante is erop gewezen dat haar weigering consequenties heeft voor haar recht op bijstand indien zij zou volharden in de weigering om haar medewerking te verlenen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 53a
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/263 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2010, 10/3795 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 23 oktober 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.T. Laigsingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2012 waar appellante, met bericht, niet is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 10 november 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante samenwoont met haar vriend [K.] en inkomsten geniet uit handel in wiet, heeft de afdeling controle van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden en zijn waarnemingen verricht. Op 29 maart 2010 hebben twee handhavingsspecialisten van de DWI een huisbezoek afgelegd aan de woning van appellante. Appellante heeft een formulier “Toestemming huisbezoek” ondertekend waaruit blijkt dat haar is uitgelegd dat zij een huisbezoek mag weigeren en dat dit geen directe gevolgen voor haar uitkering heeft. Op het formulier “Rapportage bevindingen huisbezoek” is genoteerd wat in de verschillende kamers en ruimtes van de woning is aangetroffen. De handhavingsspecialisten hebben van het gesprek met appellante aantekeningen gemaakt op de formulieren “Verklaring klant en/of partner”. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 4 mei 2010 (rapport).

1.3. In dit rapport is over het huisbezoek opgenomen dat er in de woning van appellante herenkleding is aangetroffen waarover appellante heeft verklaard dat die van [K.] is. Appellante heeft geen inzage willen verschaffen in vier ordners, waarin zich haar administratie bevond, en in de inbouwkast in de woonkamer. Appellante heeft verder niet meegewerkt aan het openen van de twee inbouwkasten op de gang en de bij haar woning behorende berging, waarvan zij heeft verklaard geen sleutels te hebben. Aan appellante is uitgelegd dat er gedurende het gesprek, in combinatie met de melding en hetgeen is aangetroffen tijdens het huisbezoek, een situatie is ontstaan waardoor het niet meewerken aan een huisbezoek nu wel consequenties kan hebben voor haar uitkering, maar appellante heeft volhard in haar weigering.

1.4. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

31 mei 2010 de bijstand van appellante met ingang van 29 maart 2010 in te trekken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende heeft meegewerkt aan het huisbezoek, waardoor haar recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Het college heeft bij besluit van 30 juni 2010 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Samengevat heeft appellante betoogd dat zij de medewerkingsverplichting niet heeft geschonden. Haar is niet verteld dat het niet meewerken consequenties kan hebben voor haar uitkering. Appellante kan zich ook niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het ongeloofwaardig is dat de dochter van appellante de sleutels van de inbouwkasten heeft zoekgemaakt. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat appellante haar gestelde psychische klachten niet met medische stukken heeft onderbouwd, omdat verweerder op de hoogte was van haar depressieve klachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat voorafgaand aan het huisbezoek op 29 maart 2010 geen redelijke grond bestond voor een huisbezoek, terwijl aan appellante duidelijk was gemaakt dat de weigering van het huisbezoek geen gevolgen zou hebben voor haar recht op bijstand. Tussen partijen is evenmin in geschil dat appellante heeft geweigerd om de handhavingsspecialisten van de DWI inzage te verschaffen in vier ordners en in de inbouwkast in de woonkamer, en dat die handhavingsspecialisten geen inzage hebben gehad in de inbouwkasten en in de kelderbox.

4.2. In het rapport is over het huisbezoek het volgende opgenomen. Appellante heeft aanvankelijk verklaard dat zij in haar woning, behalve twee broeken van haar broer en enkele kledingstukken van haar schoonzus, geen persoonlijke spullen/kleding van anderen had. Tijdens het huisbezoek werden vervolgens in de kast in de slaapkamer van appellante vier joggingbroeken, een overhemd, een trui, een spijkerbroek en werkkleding aangetroffen waarover appellante heeft verklaard dat die van [K.] waren. Ook in de keuken is een tas met werkkleding van [K.] aangetroffen.

4.3. Appellante heeft geen inzage willen verschaffen in vier (van de vijf) ordners, die zich in de inbouwkast in de woonkamer bevonden, omdat appellante dit niet relevant vond. De twee inbouwkasten in de gang kon appellante niet openen, omdat haar dochter de sleutel had zoekgemaakt. De bij haar woning behorende berging kon ook niet worden geopend, omdat alleen haar moeder daarvan de sleutel heeft. Appellante is vervolgens de mogelijkheid geboden om haar moeder te bellen om een afspraak te maken om de inhoud van de kelderbox te tonen, maar dit wilde appellante niet.

4.4. De hiervoor onder 4.2 weergegeven bevindingen van het huisbezoek en de tijdens dat bezoek door appellante afgelegde verklaring vormden een redelijke grond om van appellante te verlangen dat zij inzage zou verschaffen in de vier ordners, de inbouwkasten in de gang en de berging, om verdere duidelijkheid te verkrijgen over haar woon- en leefsituatie. In het midden kan worden gelaten of het geloofwaardig is dat de sleutel van de inbouwkasten is zoekgemaakt door haar dochter en dat alleen haar moeder over een sleutel van de berging beschikte. Vaststaat dat appellante van de haar geboden gelegenheid om haar moeder te bellen om een afspraak te maken om alsnog de berging te kunnen tonen, geen gebruik heeft gemaakt. Appellante, voor wier risico het komt dat zij niet over de sleutels beschikte, heeft ook zelf geen andere oplossing aangedragen om alsnog de kasten en de berging te kunnen tonen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat tijdens het onverplicht aangevangen huisbezoek voor appellante een medewerkingsverplichting is ontstaan en dat zij daaraan onvoldoende heeft meegewerkt.

4.5. Anders dan appellante aanvoert heeft het college, gelet op de door appellante ondertekende verklaring aannemelijk gemaakt dat appellante erop is gewezen dat haar weigering consequenties heeft voor haar recht op bijstand indien zij zou volharden in de weigering om haar medewerking te verlenen.

4.6. Uit de gedingstukken kan weliswaar worden afgeleid dat appellante psychische klachten heeft, maar dat appellante om die reden niet volledig zou kunnen meewerken aan een huisbezoek of de gevolgen van de weigering van de medewerking niet zou kunnen overzien, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt.

4.7. De omstandigheid dat het college appellante per 2 juni 2010, zonder dat een huisbezoek is afgelegd, weer bijstand heeft toegekend, maakt het voorgaande niet anders, reeds omdat het een andere beoordelingsperiode betreft dan hier aan de orde.

4.8. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J.M. Heijs en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) R. Scheffer