Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY1228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2012
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
11-385 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstand. Vermogen boven de vermogensgrens.Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat het tegoed op de rekening als een schuld aan de vennootschap moet worden gezien, heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het bestaan van die schuld volgt alleen uit de verklaring van de accountant. Een akte of overeenkomst met betrekking tot de gestelde schuld ontbreekt. Bovendien is niet gebleken dat aan die schuld een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Het tegoed op de bankrekening moet worden aangemerkt als vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/385 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 december 2010, 10/975 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 23 oktober 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Riemersma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2012. Voor appellant is mr. Riemersma verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.B. Visser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 1 augustus 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op het aanvraagformulier hebben appellant en zijn echtgenote bij de vraag naar hun bank-, giro- en spaarrekeningen geen rekeningnummers ingevuld, maar wel twee saldi van onderscheidenlijk € 7.700,-- en € 100,--. Het vermogen is bij de toekenning van bijstand vastgesteld op € 4.251,42.

1.2. Bij een heronderzoek in 2009 heeft het dagelijks bestuur vastgesteld dat op de bij het dagelijks bestuur bekende bankrekeningen van appellant en zijn echtgenote bedragen werden bijgeschreven afkomstig van een rekening met nummer [bankrekeningnummer] Deze rekening stond op naam van appellant en zijn echtgenote. Het saldo van deze rekening bedroeg eind september 2009 € 27.500,97.

1.3. Bij besluit van 24 december 2009 heeft het dagelijks bestuur de bijstand met ingang van

1 september 2009 beëindigd (lees: ingetrokken). Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellant en zijn echtgenote meer bedraagt dan het vrij te laten vermogen.

1.4. Bij besluit van 22 april 2010 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant en zijn echtgenote tegen het besluit van 24 december 2009, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant en zijn echtgenote tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat het saldo op de rekening met nummer [bankrekeningnummer] geen vermogen is. Het betreft een rekening-courant verhouding met [vennootschap] (de vennootschap). Appellant heeft een schuld aan deze vennootschap. Appellant heeft hierbij verwezen naar een brief van zijn accountant van

13 april 2010, met een opstelling van het vermogen van appellant en zijn echtgenote per eind september 2009. Hierop staat een schuld aan de vennootschap vermeld van € 34.434,--. De accountant heeft toegelicht dat deze schuld is ontstaan door bedragen die appellant van de vennootschap heeft geleend om bijvoorbeeld in zijn levensonderhoud te voorzien.

De geleende bedragen zijn hoofdzakelijk overgemaakt naar de rekening met nummer [bankrekeningnummer] en moeten worden terugbetaald aan de vennootschap, aldus de accountant. Verder heeft appellant aangevoerd dat het dagelijks bestuur op de hoogte was van de rekening-courant verhouding met de vennootschap. Ten slotte heeft appellant zich op het standpunt gesteld niet correct te zijn geïnformeerd over het re-integratietraject. Appellant heeft verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het dagelijks bestuur heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 september 2009 tot en met 24 december 2009.

4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Tot die middelen behoort onder meer het vermogen bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de WWB, te weten de waarde van de bezittingen waarover appellant beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alsmede de middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de WWB. Van het vastgestelde vermogen blijft ingevolge artikel 34, derde lid, aanhef en onder c, van de WWB ten tijde hier van belang € 10.910,-- buiten beschouwing.

4.3. Vaststaat dat appellant met zijn echtgenote houder was van de rekening met nummer [bankrekeningnummer], die op hun beider naam stond. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Hierin is appellant niet geslaagd. Appellant was met zijn echtgenote beschikkingsbevoegd ter zake van de rekening met nummer [bankrekeningnummer] en hij heeft ook beschikt over het tegoed op de rekening door bedragen over te schrijven en aan te wenden voor onder meer de kosten van levensonderhoud. Dat het tegoed op de rekening als een schuld aan de vennootschap moet worden gezien, heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het bestaan van die schuld volgt alleen uit de verklaring van de accountant. Een akte of overeenkomst met betrekking tot de gestelde schuld ontbreekt. Bovendien is niet gebleken dat aan die schuld een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting meegedeeld dat over aflossing van de lening niets is afgesproken. De enkele mededeling van de accountant dat de geleende bedragen moeten worden terugbetaald, is onvoldoende voor het aannemen van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling.

4.4. Het tegoed op de rekening met nummer [bankrekeningnummer] moet gelet op het voorgaande worden aangemerkt als vermogen. Niet in geschil is dat dit vermogen in de periode hier van belang meer bedroeg dan het voor appellant en zijn echtgenote vrij te laten vermogen.

4.5. Evenmin is in geschil dat het hier om gegevens gaat waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Appellant heeft de rekening niet vermeld op het aanvraagformulier. Het betoog van appellant dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat het dagelijks bestuur wel op de hoogte was van de rekening, slaagt niet. Het dagelijks bestuur heeft dit betwist en appellant heeft deze stelling niet met verifieerbare gegevens onderbouwd.

4.6. Hetgeen appellant heeft aangevoerd over het re-integratietraject maakt geen onderdeel uit van het bestreden besluit en valt daarom buiten de omvang van dit geding.

5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om toekenning van vergoeding van schade komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en Y.J. Klik en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin