Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2012
Datum publicatie
18-10-2012
Zaaknummer
11/583 WW-T + 11/901 WW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het Uwv heeft op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft dat besluit (opnieuw) ten onrechte gebaseerd op artikel 24 van de WW en de Richtlijn passende arbeid 2008. Er is niet kenbaar getoetst aan de Beleidsregels protocol scholing. Bovendien heeft het Uwv het advies van het Loopbaan Adviescentrum Limburg wederom ongemotiveerd naast zich neergelegd. Beroep gegrond. Vernietiging besluit omdat het een deugdelijke motivering mist. Het Uwv zal alsnog op juiste wijze uitvoering moeten geven aan de aangevallen uitspraak. Het Uwv zal daarom worden opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Bij dat besluit dient het Uwv tevens te betrekken dat:

-appellant het recht op WW-uitkering is ontzegd over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2008 en dat dit blijkens de tussen partijen gegeven uitspraak van de Raad van 6 juli 2011 (LJN BR0658) op goede gronden is gebeurd;

-uit de thans beschikbare gegevens niet duidelijk is geworden of na 30 september 2008 en dus ook ten tijde hier van belang het recht op WW-uitkering was herleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/583 WW-T, 11/901 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010, 10/421 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 oktober 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Houtsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 26 januari 2011 een nieuw besluit genomen en een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 september 2012. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf 1986 werkzaam geweest als accountmanager en vestigingsmanager in de verzekeringsbranche. Met ingang van 1 oktober 2007 ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In het kader van zijn re-integratie is appellant in juni 2008 een IRO-traject gestart bij het Loopbaan Adviesbureau Limburg. De kosten van dit traject zijn betaald door het Uwv.

1.2. Bij brief van 23 september 2009 heeft appellant het Uwv verzocht om vergoeding van de kosten voor een opleiding tot rij-instructeur categorie A en B. Aan deze opleiding was een baangarantie van minimaal zes maanden verbonden.

1.3. Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 26 februari 2010 (bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat, gelet op de Richtlijn passende arbeid 2008, na één jaar werkloosheid arbeid op ieder niveau passend is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van haar uitspraak. Volgens de rechtbank is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat daaraan ten onrechte artikel 24 van de WW ten grondslag is gelegd in plaats van de artikelen 73 en 76 van de WW en omdat niet duidelijk kenbaar is gemotiveerd waarom het Uwv de door appellant gewenste opleiding niet noodzakelijk acht. De verwijzing naar de Richtlijn passende arbeid 2008 heeft de rechtbank niet toereikend geacht. De rechtbank heeft verder, onder verwijzing naar artikel 1, tweede lid, van de Scholingsregeling WW (Stcrt. 2004, 163) en de toelichting op dat artikel, overwogen dat niet gebleken is van enige individuele afweging met betrekking tot de noodzaak van de door appellante gewenste opleiding, dat evenmin kenbaar is getoetst aan de Beleidsregels protocol scholing (Stcrt. 2005, 126), dan wel is aangegeven waarom hier niet aan behoeft te worden getoetst en dat het Uwv het advies van het Loopbaan Adviesbureau Limburg - welk bureau door het Uwv in het kader van de re-integratie is ingeschakeld - zonder enige motivering naast zich neer heeft gelegd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om tot een verdergaande geschilbeslechting te komen, nu appellant niet ter zitting is verschenen en daarmee de rechter de mogelijkheid heeft ontnomen dit ter zitting te bespreken.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het feit dat hij niet ter zitting is verschenen er niet aan in de weg had hoeven of mogen staan om inhoudelijk te oordelen over zijn verzoek om hem alsnog de mogelijkheid te bieden om de opleiding tot rijinstructeur te volgen. Volgens appellant had de rechtbank ten minste dienen te bepalen dat het Uwv zich in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar alsnog diende uit te laten omtrent de vraag of, en zo ja in hoeverre, aan het verzoek van appellant tegemoet diende te worden gekomen. Volgens appellant wordt het advies van het loopbaanadviescentrum zonder afdoende motivering van tafel geveegd en heeft het Uwv zijn verzoek ten onrechte afgewezen.

3.2. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en bij besluit van 26 januari 2011 opnieuw beslist op het bezwaar van appellant. Daarbij is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 oktober 2009 wederom ongegrond verklaard op basis van een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 25 januari 2011.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In de aangevallen uitspraak ligt besloten dat het Uwv opnieuw dient te beslissen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Dit betekent dat het Uwv zich opnieuw moest beraden over het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van een opleiding tot rijinstructeur A en B. Gelet op de ten tijde van die uitspraak beschikbare gegevens kon en behoefde deze uitspraak echter niet (mede) in te houden dat de kosten van die opleiding daadwerkelijk door het Uwv dienden te worden vergoed. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

4.2. Het besluit van 26 januari 2011 wordt, nu daarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding in hoger beroep betrokken.

4.3. Bij dit besluit heeft het Uwv op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft dat besluit (opnieuw) ten onrechte gebaseerd op artikel 24 van de WW en de Richtlijn passende arbeid 2008. Er is niet kenbaar getoetst aan de Beleidsregels protocol scholing. Bovendien heeft het Uwv het advies van het Loopbaan Adviescentrum Limburg wederom ongemotiveerd naast zich neergelegd. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 26 januari 2011 gegrond moet worden verklaard en dat dit besluit moet worden vernietigd omdat het, in strijd met artikel 7:12 van de Awb, een deugdelijke motivering mist.

4.4. Het Uwv heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de beleidsregels Protocol Scholing 2008 in de plaats zijn gekomen voor de Beleidsregels protocol scholing waarnaar de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft verwezen. Geconstateerd moet echter worden dat in het besluit van 26 januari 2011 (ook) geen toetsing aan het Protocol Scholing 2008 heeft plaatsgevonden.

4.5. De Raad heeft bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Het Uwv zal alsnog op juiste wijze uitvoering moeten geven aan de aangevallen uitspraak. Het Uwv zal daarom met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Bij dat besluit dient het Uwv tevens te betrekken dat:

-appellant het recht op WW-uitkering is ontzegd over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2008 en dat dit blijkens de tussen partijen gegeven uitspraak van de Raad van 6 juli 2011 (LJN BR0658) op goede gronden is gebeurd;

-uit de thans beschikbare gegevens niet duidelijk is geworden of na 30 september 2008 en dus ook ten tijde hier van belang het recht op WW-uitkering was herleefd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 26 januari 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker