Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0587

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2012
Datum publicatie
18-10-2012
Zaaknummer
11-2887 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de eerste plaats is duidelijk dat de pogingen van de directeur om appellant te herplaatsen gericht waren op plaatsing buiten SBB. Verder moet, met de bezwaarschriftcommissie, worden geoordeeld dat het enkel aankaarten van de positie van appellant in een overleg tussen districten van SBB een onvoldoende inspanning inhoudt om appellant binnen SBB herplaatst te krijgen. De Raad is niet gebleken dat appellant eisen heeft gesteld die aan verdere inspanningen van de directeur in de weg stonden.

De Raad komt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is genomen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/36
ABkort 2012/350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2887 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 april 2011, 10/5369 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Directeur Staatsbosbeheer (directeur)

Datum uitspraak: 11 oktober 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr M.J. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De directeur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen. De directeur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Brouwer en drs. S.H. de Jonge.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 december 2006 als opzichter algemeen in dienst getreden van Staatsbosbeheer (SBB). Bij SBB was er van begin af aan kritiek op de wijze waarop hij zijn managementstaken verrichtte. In 2007 werd vastgesteld dat appellant daarbij stressklachten ontwikkelde. Dit is met appellant besproken, die vertelde daarmee rekening te zullen houden. In de loop van 2009 is met appellant gesproken over vinden van een andere, passende functie, intern of extern. Hem werd voorgesteld hierbij een extern bureau te betrekken. In juli 2009 is dat bureau met appellant aan de slag gegaan, met de bedoeling ook duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of appellant naar zijn functie van opzichter terug kan keren. Het traject is zonder resultaat beëindigd.

1.2. Zoals appellant vroegtijds was aangekondigd, is in november 2009 over zijn functioneren over het tijdvak van 1 november 2008 tot 1 oktober 2009 een beoordeling opgemaakt. Blijkens deze beoordeling, die op 17 december 2009 is vastgesteld, is de beoordeling van de functievervulling in haar geheel wat kwaliteit en kwantiteit betreft, met A (ongeschikt) beoordeeld. Tegen de beoordeling heeft appellant bezwaar gemaakt

1.3. Bij besluit van 4 februari 2010 is appellant op grond van artikel 98, eerste lid aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 15 maart 2010 eervol ontslag uit zijn functie van opzichter verleend. Tegen dit besluit heeft appellant eveneens bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 7 september 2010 (bestreden besluit) heeft de directeur, in zoverre in overeenstemming met het advies van de bezwaaradviescommissie, de beoordeling gewijzigd ten aanzien van de functievervulling in haar geheel. Voor het overige - ook wat betreft het ontslag - zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep opgevat als zijnde enkel gericht tegen het bestreden besluit betreffende het ontslagbesluit en dit beroep ongegrond verklaard.

3.1. Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.2. Op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR kan een ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Dat deze ontslaggrond ten tijde hier van belang op appellant van toepassing was, is niet (meer) in geschil. Wel heeft appellant betoogd dat de directeur nagelaten heeft het ontslag vooraf te laten gaan door een deugdelijk herplaatsingsonderzoek en daarmee onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld.

3.3. De directeur is niet op grond van enige wettelijke bepaling verplicht een herplaatsingsonderzoek te verrichten voordat hij overgaat tot ontslag wegens ongeschiktheid. De directeur heeft evenwel in dit geval bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die hem overeenkomstig staand beleid ertoe hebben gebracht om uit een oogpunt van zorgvuldigheid te proberen appellant een passende functie aan te bieden. Daarbij is vooral in aanmerking genomen dat appellant in een laat stadium van zijn carrière bij SBB is binnengehaald, hoewel men zijn problemen in wezen reeds kende.

3.4. Tot een aanbod van een passende functie is het niet gekomen. In de eerste plaats is duidelijk dat de pogingen van de directeur om appellant te herplaatsen gericht waren op plaatsing buiten SBB. Verder moet, met de bezwaarschriftcommissie, worden geoordeeld dat het enkel aankaarten van de positie van appellant in een overleg tussen districten van SBB een onvoldoende inspanning inhoudt om appellant binnen SBB herplaatst te krijgen. De Raad is niet gebleken dat appellant eisen heeft gesteld die aan verdere inspanningen van de directeur in de weg stonden.

3.5. Nu de directeur bij de begeleiding van appellant niet de inspanningen heeft ontplooid die volgens het bestreden besluit aan de dag zijn gelegd, komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.

3.6. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet dus worden vernietigd. De Raad zal ook het bestreden besluit vernietigen en de directeur opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. Daarbij dient de directeur ook acht te slaan op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure.

4. Er is aanleiding om de directeur te veroordelen in de proceskosten van appellant, tot een bedrag van € 1.748,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 september 2010;

- bepaalt dat de directeur een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de directeur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 377,- vergoedt;

- veroordeelt de directeur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,-.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.G. Treffers en B. J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2012.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker