Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
18-10-2012
Zaaknummer
10/154 WWB + 12/5010 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na de tussenuitspraak (LJN BW3998) heeft het college een nieuw besluit genomen en het gebrek hersteld. Er bestaat geen bevoegdheid de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008, de terugvordering wordt beperkt tot de periode van 1 november 2002 tot en met 24 december 2007 en de periode van 12 februari 2008 tot en met 3 maart 2008, tot een bedrag van € 38.656,42.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/154 WWB, 12/5010 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

27 november 2009, 09/573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 17 april 2012, LJN BW3998, een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college op 26 juni 2012 een nieuw besluit genomen.

Daarop heeft mr. R.F. Vogel namens appellante zijn zienswijze over dit besluit naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 21, eerst en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Tevens is besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In aansluiting op de tussenuitspraak van 17 april 2012 overweegt de Raad het volgende.

2. Het college heeft bij zijn besluit van 26 juni 2012 het door de Raad geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 5 maart 2009 kleefde hersteld door te overwegen dat, nu er geen bevoegdheid bestaat de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008, de terugvordering wordt beperkt tot de periode van 1 november 2002 tot en met 24 december 2007 en de periode van 12 februari 2008 tot en met 3 maart 2008, tot een bedrag van € 38.656,42.

3. Het besluit van 26 juni 2012 wordt met toepassing van artikel 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij het geding in hoger beroep betrokken.

4. Volgens de zienswijze geeft de inhoud van het besluit van 26 juni 2012 op zich geen aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen. Wel heeft appellante opnieuw aangevoerd dat ook in eerdere jaren sprake was van een bedrijfssluiting en ter onderbouwing nadere stukken ingebracht. Deze nadere stukken zijn te laat ingebracht en worden daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten.

5. Onder verwijzing naar wat in de tussenuitspraak is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep tegen het besluit van 5 maart 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 en wat betreft de terugvordering. Voorts zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, het besluit van 2 oktober 2008 herroepen voor zover daarbij de bijstand van appellante over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 is ingetrokken en bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 maart 2009 wat betreft de intrekking. Het beroep tegen het besluit van 26 juni 2012 wordt gegrond verklaard voor zover daarbij geen vergoeding voor de kosten in bezwaar is toegekend en dat besluit wordt in zoverre vernietigd. De in dat besluit opgenomen terugvordering blijft in stand.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van bezwaar van appellante en in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 1.092,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 2.380,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 2009 gegrond;

-vernietigt het besluit van 5 maart 2009 wat betreft de intrekking van bijstand over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 en de terugvordering;

-herroept het besluit van 2 oktober 2008 wat betreft de intrekking van bijstand over de periode van 25 december 2007 tot en met 11 februari 2008 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 maart 2009 wat betreft de intrekking;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2012 gegrond;

-vernietigt het besluit van 26 juni 2012 voor zover daarbij geen vergoeding voor kosten in bezwaar is toegekend;

-veroordeelt het college in de kosten van de procedures tot een bedrag van € 2.380,50, waarvan de kosten in hoger beroep ten bedrage van € 1.092,50 te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) J.M. Tason Avila

HD