Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY0318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
17-10-2012
Zaaknummer
11-846 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van installatie van een cv-ketel. Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat hier geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. De kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd, waren voorzienbaar en dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen. Dat appellante als gevolg van haar lage inkomen en hoge woonlasten niet of onvoldoende heeft kunnen reserveren, kan haar niet baten. Dat de cv-ketel al na tien jaar stuk is gegaan, terwijl de gemiddelde levensduur van een cv-ketel vijftien jaar is, zoals appellante heeft aangevoerd, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/846 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 december 2010, 10/1768 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak 16 oktober 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Massier.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt reeds jaren bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op 27 april 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van installatie van een cv-ketel.

1.3. Bij besluit van 20 mei 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.4. Bij besluit van 8 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. De kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die bestreden dienen te worden uit het inkomen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de algemene regel rechtvaardigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Er zijn wel bijzondere omstandigheden die verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigen. Appellante is aangewezen op een bijstandsuitkering en heeft geen ruimte in haar inkomen om te reserveren. Bovendien is de cv-ketel al na tien jaar stuk gegaan, terwijl de gemiddelde levensduur van een cv-ketel vijftien jaar is. De rechtbank heeft ten onrechte de keuze van appellante om in haar woning te blijven wonen aan haar tegengeworpen. Die keuze is immers verantwoord. Voor zover moet worden geoordeeld dat die keuze minder of niet verantwoord is, had met een verlaging van de bijzondere bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB moeten worden volstaan (zie CRvB 2 maart 2010, LJN BL7308). Appellante heeft een klein bedrag aan spaargeld kunnen opbouwen van € 599,72 ten tijde van de aanvraag. Dat spaargeld heeft zij, toen haar aanvraag werd afgewezen, gebruikt om de kosten van de installatie van de cv-ketel te voldoen, maar dit bedrag viel onder het in het beleid van het college genoemde vrij te laten bedrag van € 1.500,--.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.2. De kosten van onderhoud van de eigen woning, waaronder de kosten van installatie van een cv-ketel, behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van een huiseigenaar. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.3. Met het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat hier geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. De kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd, waren voorzienbaar en dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen. Dat appellante als gevolg van haar lage inkomen en hoge woonlasten niet of onvoldoende heeft kunnen reserveren, kan haar niet baten. Al in 2001, toen appellante ervoor koos vanuit haar huurwoning terug te keren naar de voormalige echtelijke woning, leefde zij van een inkomen op bijstandsniveau en wist zij dat de woonlasten, mede gelet op de slechte staat van onderhoud van de woning, relatief hoog zouden zijn. De rechtbank heeft die keuze dan ook terecht betrokken in de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Dat de cv-ketel al na tien jaar stuk is gegaan, terwijl de gemiddelde levensduur van een cv-ketel vijftien jaar is, zoals appellante heeft aangevoerd, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.4. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 2 maart 2010, LJN BL7308, slaagt niet, reeds omdat het in die uitspraak, anders dan in het onderhavige geval, ging om kosten die wel voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden.

4.5. Het betoog van appellante dat het spaargeld van appellante ten tijde van de aanvraag (€ 599,72) onder het in het beleid van het college genoemde vrij te laten bedrag van € 1.500,-- ligt, kan haar niet baten. Het bedrag van € 1.500,-- is van belang voor de vaststelling van de draagkracht. Daaraan wordt, gelet op de in 4.1 weergegeven volgorde, echter pas toegekomen na een positieve beantwoording van de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dat is hier niet het geval.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) R. Scheffer

HD