Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
12-32 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vergoeding of tegemoetkoming voor de aanschaf van een auto. Verweerder is terecht tot de conclusie gekomen dat in het geval van appellant geen sprake is van een als causaal te beschouwen absolute verhindering tot gebruik van een taxi of openbaar vervoer, zodat appellant terecht niet in aanmerking is gebracht voor een vergoeding. Gelet op alleen al het tevens ontbreken van bemoeilijking door de causale psychische klachten van bedoeld gebruik, is appellant eveneens terecht een tegemoetkoming onthouden. Gezien de cumulatieve gelding van de twee voor de tegemoetkoming door verweerder gehanteerde voorwaarden, behoeft de vraag of de diarreeklachten een niet-causale absolute verhindering inhouden geen bespreking meer. Toekenning schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/32 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak 4 oktober 2012.

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 december 2011, kenmerk BZ 01307966 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012. Voor appellant is mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1945, is in 1977 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Daarbij is aanvaard dat zijn psychische klachten, hoge bloeddruk, longklachten en hartklachten in verband staan met de vervolging. Ten aanzien van zijn darmklachten en suikerziekte is geen causaal verband aanvaard.

1.2. In 1996 heeft appellant een aanvraag ingediend om een voorziening op grond van de Wuv voor de kosten van aanschaf van een auto. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 6 mei 1997, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 november 1997. In 2000 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een auto ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 24 juli 2000, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2001.

1.3. Bij brief van 11 maart 2009 heeft appellant wederom een voorziening voor de aanschaf van een auto aangevraagd. Bij besluit van 16 juni 2009, na bezwaar van 1 juli 2009 gehandhaafd bij besluit van 16 december 2009, heeft verweerder ook deze aanvraag afgewezen.

1.4. Bij uitspraak van 10 maart 2011, LJN BP7879, heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 16 december 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen om met inachtneming van zijn uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 juni 2009. Daartoe heeft de Raad overwogen dat het besluit van 16 december 2009 (uiteindelijk) is gebaseerd op een twaalf en een half jaar oud rapport van persoonlijk medisch onderzoek. Daarmee achtte de Raad de grens van het aanvaardbare overschreden. Van een voldoende actuele medische grondslag voor de besluitvorming kon hier naar het oordeel van de Raad niet meer worden gesproken.

1.5. Ter uitvoering van de genoemde uitspraak van de Raad heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen. Dit besluit, waarbij het bezwaar wederom ongegrond is verklaard, is gebaseerd op een hernieuwd medisch onderzoek.

2. Appellant heeft aangevoerd dat zijn diarreeklachten ten onrechte niet als causale klachten zijn aanvaard. Daarnaast heeft hij zich beroepen op zijn psychische klachten. Appellant is van mening dat voor zover al niet aan de eisen voor een vergoeding is voldaan, hij in ieder geval in aanmerking had moeten worden gebracht voor een tegemoetkoming.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Bij de toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wuv neemt verweerder tot uitgangspunt dat pas dan tot toekenning van een vergoeding of tegemoetkoming voor de aanschaf van een auto wordt overgegaan indien sprake is van een absolute verhindering om gebruik te maken van het openbaar vervoer en van een taxi. In het geval van een vergoeding moet deze absolute verhindering causaal zijn; in het geval van een tegemoetkoming is een non-causale absolute verhindering toereikend, maar moet daarnaast sprake zijn van causale bemoeilijking van het gebruik van openbaar vervoer en taxi. Het beleid van verweerder op dit punt is in vaste rechtspraak van de Raad als aanvaardbaar beoordeeld.

3.2. Appellant stelt dat in zijn geval van een absolute verhindering als hiervoor bedoeld sprake is en verwijst in dat verband thans in de eerste plaats naar zijn chronische diarreeklachten, die plotseling plegen op te spelen. In de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde, hernieuwde medische rapportage zijn deze klachten als niet-causaal gekwalificeerd. In aanmerking genomen dat appellant de bedoelde rapportage niet met andersluidende medische gegevens heeft bestreden, ziet de Raad geen reden tot twijfel aan deze kwalificatie. Uit de rapportage blijkt immers niet van enig verband tussen de diarreeklachten en de vervolging of de uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten van appellant. Wel blijkt daaruit van diverse mogelijke andere oorzaken van de klachten. Zo is appellant bekend met non-causale buikklachten, gebruikt hij medicijnen met mogelijke bijwerkingen en heeft hij in het verleden een darmoperatie ondergaan. Dat ten aanzien van de bedoelde, mogelijke andere oorzaken geen zekerheid kon worden verkregen, heeft te maken met het feit dat appellant zijn huisarts nooit over de chronische diarree heeft geconsulteerd. Onder die omstandigheden heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien de diarreeklachten, zoals gesuggereerd door appellant, met toepassing van artikel 7, tweede lid, van de Wuv als causaal te aanvaarden.

3.3. Appellant heeft verder aangevoerd dat ook zijn eerder als causaal aanvaarde psychische klachten voor hem een beletsel vormen om van het openbaar vervoer gebruik te maken. In de rapportage van de geneeskundig adviseur is bemoeilijking van gebruik van openbaar vervoer of taxi op grond van de causale psychische klachten evenwel niet aan de orde geacht, laat staan dat uit die rapportage blijkt van een causale absolute verhindering tot dat gebruik. Gegeven het niet ingebracht zijn door appellant van eigen medische informatie, is er ook in dit opzicht geen reden om niet van de juistheid van die rapportage uit te gaan. Hetgeen appellant heeft gesteld over de precieze inhoud en bedoeling van bepaalde door hem gemaakte opmerkingen tijdens het geneeskundig onderzoek en tijdens een hoorzitting op 23 september 2009 is onvoldoende overtuigend om de conclusie van de geneeskundig adviseur voor ongefundeerd of anderszins voor onjuist te houden.

3.4. Het voorgaande betekent dat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat in het geval van appellant geen sprake is van een als causaal te beschouwen absolute verhindering tot gebruik van een taxi of openbaar vervoer, zodat appellant terecht niet in aanmerking is gebracht voor een vergoeding. Gelet op alleen al het tevens ontbreken van bemoeilijking door de causale psychische klachten van bedoeld gebruik, is appellant eveneens terecht een tegemoetkoming onthouden. Gezien de cumulatieve gelding van de twee voor de tegemoetkoming door verweerder gehanteerde voorwaarden, behoeft de vraag of de diarreeklachten een niet-causale absolute verhindering inhouden geen bespreking meer.

4. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

4.2. In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee-en-een-half jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).

4.3. In een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend (CRvB 25 maart 2009, LJN BH9991). Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie).

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.5. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift van appellant van 1 juli 2009 tot de datum van deze uitspraak zijn drie jaar en ruim drie maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee en een half jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met een ruim negen maanden overschreden. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de behandeling door de Raad steeds minder dan twee jaar heeft geduurd. De overschrijding komt daarom in haar geheel voor rekening van verweerder. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet dus worden vastgesteld op een bedrag van twee maal € 500,-, dat is € 1.000,-.

5. Uit al het voorgaande vloeit voort dat de Raad het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit wegens de overschrijding van de redelijke termijn zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten en verweerder zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 1.000,-.

6. De Raad ziet verder aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade aan appellant ten bedrage van € 1.000,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de

griffier van de Raad;

- bepaalt dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

De griffier is buiten staat te tekenen

HD