Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
12-2257 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Beroep door rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft haar beroepschrift niet ondertekend en geen afschrift van het bestreden besluit overgelegd. Appellante is in de gelegenheid gesteld deze verzuimen binnen een haar daartoe gestelde termijn te herstellen maar zij heeft deze verzuimen niet tijdig hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2257 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 maart 2012, 11/1110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

Datum uitspraak 9 oktober 2012.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2012. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. van de Kolk-Hansum.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

1.1. Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het college de bijstand van appellante over de periodes van 20 december 2002 tot 5 augustus 2003 en van 30 augustus 2007 tot 29 september 2009 ingetrokken en de over deze periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.141,03 van appellante teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 16 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante haar beroepschrift niet heeft ondertekend en geen afschrift van het bestreden besluit heeft overgelegd, dat appellante in de gelegenheid is gesteld deze verzuimen binnen een haar daartoe gestelde termijn te herstellen en dat zij deze verzuimen niet tijdig heeft hersteld.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft op de hierna weergegeven gronden aangevoerd dat de rechtbank een inhoudelijk oordeel had moeten geven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend. Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt bij het beroepschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overgelegd. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt, onder meer, dat het bezwaar of beroep

niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2. Vaststaat dat appellante haar beroepschrift bij de rechtbank niet heeft ondertekend en daarbij geen afschrift van het bestreden besluit heeft overgelegd als vereist in artikel 6:5, eerste en tweede lid van de Awb. Voorts staat vast dat appellante deze verzuimen niet binnen de door de rechtbank daartoe gestelde termijn heeft hersteld en dat binnen die termijn evenmin om uitstel van herstel van deze verzuimen is verzocht. Gesteld noch gebleken is dat dit laatste niet mogelijk was voor appellante. Hiermee is gegeven dat de rechtbank op grond van artikel 6:6 van de Awb bevoegd is het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet voldoen aan de onder 4.1 vermelde eisen.

4.3. Appellante stelt zich op het standpunt dat door de rechtbank en het college formele eisen zijn gesteld die geen nut hebben. Hierin is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om het beroep van appellante op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellante dat de rechtbank haar verwijten maakt, terwijl zij het griffierecht in eerste aanleg heeft voldaan en dat de rechtbank pas een jaar nadat zij beroep heeft ingesteld een uitspraak heeft gedaan.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) J.T.P. Pot

HD