Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
10-3633 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand op de grond dat appellant weigert te verschijnen op de afspraak bij de GGD. De Raad begrijpt het bestreden besluit aldus dat het college daaraan ten grondslag heeft gelegd dat appellant niet aan zijn verplichting heeft voldaan mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De rechtbank heeft haar oordeel niet gebaseerd op een door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde grond. Vernietiging aangevallen uitspraak. De beroepsgrond van appellant dat hij niet voor een psychodiagnostisch, maar voor een regulier medisch onderzoek is opgeroepen en dat het college van tevoren niet met hem heeft besproken dat het een psychodiagnostisch onderzoek wenste, treft geen doel. Appellant heeft geen medewerking verleend aan het onderzoek bij de GGD waarvoor hij was opgeroepen. Het gaat hier om een onderzoek dat er op is gericht om de beperkingen van appellant en daarmee zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling in kaart te brengen. Van het niet meewerken door appellant aan het onderzoek kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Ongegrondverklaring beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/291
JWWB 2012/198

Uitspraak

10/3633 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

16 juni 2010, 09/7692 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A te B] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren op [datum] 1967, heeft in 1997 een universitaire studie rechten afgerond en ontvangt sinds 18 januari 1999, met een korte onderbreking van 5 juli 2005 tot

19 juli 2005, bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Voor hem gelden de verplichtingen tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2. Appellant heeft op 4 september 2008 de ‘Overeenkomst maatwerkprogramma werkatelier’ ondertekend. In het kader van dit programma is appellant aangemeld voor diverse trainingen. In de ongedateerde ‘Eindrapportage Trainingen Werkatelier Leiden’ is vermeld dat appellant na de eerste training naar huis is gestuurd, dat hij mogelijk psychische of sociaal emotionele belemmeringen heeft en dat psychiatrisch onderzoek mogelijk een diagnose zou kunnen opleveren.

1.3. Naar aanleiding hiervan is appellant uitgenodigd voor een gesprek met zijn casemanager op 27 januari 2009. Van dat gesprek is verslag gedaan in een rapportage van die datum. Daarin is verder vermeld dat is besloten om appellant aan te melden bij GGD Hollands Midden (GGD) voor een psychodiagnostisch onderzoek, dat er van verschillende kanten signalen zijn dat er iets met betrokkene aan de hand is en dat betrokkene mogelijk in aanmerking zou kunnen komen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

1.4. Bij brief van 6 februari 2009 heeft het college de GGD verzocht om een medisch advies over appellant uit te brengen. In de adviesaanvraag is vermeld dat appellant vertelt dat hij geen gezondheidsklachten heeft, maar dat twijfel bestaat over zijn psychische gesteldheid. Bij brief van 17 februari 2009 heeft het college appellant meegedeeld dat hij op 27 januari 2009 aan de casemanager te kennen heeft gegeven niet te willen meewerken aan een medisch onderzoek omdat hem niets mankeert, dat de casemanager signalen heeft gekregen dat er mogelijk toch beperkingen zijn en dat het college medisch advies aan de GGD heeft gevraagd om de beperkingen van appellant vast te stellen. Verder heeft het college meegedeeld dat appellant oproepen van de GGD voor een gesprek of keuring moet opvolgen en dat het niet meewerken aan het onderzoek tot een maatregel kan leiden. Naar aanleiding van de brief van 17 februari 2009 heeft appellant het college schriftelijk laten weten dat hij volhardt in zijn weigering zich aan een medische keuring door de GGD te onderwerpen. De GGD heeft het college bij brief van 24 februari 2009 gemeld dat de adviesprocedure wordt beëindigd omdat appellant die dag telefonisch heeft laten weten dat hij niet op het spreekuur van de GGD wil komen omdat hij geen medische klachten heeft.

1.5. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college de bijstand met ingang van 1 april 2009 met 10% gedurende één maand verlaagd op de grond dat appellant weigert te verschijnen op de afspraak bij de GGD.

1.6. Bij besluit van 27 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet voor een psychodiagnostisch, maar voor een medisch onderzoek is opgeroepen en dat het college van tevoren niet met hem heeft besproken dat het een psychodiagnostisch onderzoek wenste. Verder heeft appellant aangevoerd dat van hem niet kan worden gevergd medewerking te verlenen aan het medisch onderzoek waarvoor hij door de GGD werd opgeroepen. Volgens appellant is de keuring onnodig, bevatte het vragenformulier dat hij bij de oproep voor de keuring ontving en dat hij moest invullen, vele irrelevante en diverse onbetamelijke vragen en zijn de medische gegevens bij de GGD niet veilig. Volgens appellant is sprake van een ongeoorloofde inbreuk op het recht op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens heeft appellant verzocht om een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover van belang, is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Maatregelenverordening WWB 2008 (Verordening).

4.3. De Raad begrijpt het bestreden besluit aldus dat het college daaraan ten grondslag heeft gelegd dat appellant niet aan zijn verplichting heeft voldaan mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De rechtbank heeft beoordeeld of appellant heeft voldaan aan zijn verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening. Dat betekent dat de rechtbank haar oordeel niet heeft gebaseerd op een door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde grond. Het verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.

4.4. De beroepsgrond van appellant dat hij niet voor een psychodiagnostisch, maar voor een regulier medisch onderzoek is opgeroepen en dat het college van tevoren niet met hem heeft besproken dat het een psychodiagnostisch onderzoek wenste, treft geen doel. Uit de stukken blijkt niet dat het onderzoek van de GGD zich slechts zou uitstrekken tot de lichamelijke gesteldheid van appellant. In de eerder genoemde adviesaanvraag van 6 februari 2009 wordt onder het kopje ‘omschrijving klachten’ immers vermeld dat appellant vertelt dat hij geen gezondheidsklachten heeft, maar dat twijfel bestaat over zijn psychische gesteldheid. Uit de stukken blijkt evenmin dat het college appellant onjuist heeft geïnformeerd over het onderzoek dat de GGD zou verrichten. In de brief van 17 februari 2009 informeert het college appellant dat het doel van het door de GGD te verrichten onderzoek is om diens beperkingen in kaart te brengen. Dat het daarbij uitsluitend zou gaan om de lichamelijke gesteldheid van appellant en niet om zijn psychische gesteldheid kan daaruit niet worden afgeleid.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek bij de GGD waarvoor hij was opgeroepen. Het gaat hier om een onderzoek dat er op is gericht om de beperkingen van appellant en daarmee zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling in kaart te brengen. Dat betekent dat appellant de op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB geldende verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling niet is nagekomen.

4.6. De beroepsgrond van appellant dat hij aan het onderzoek geen medewerking hoefde te verlenen omdat het onderzoek niet nodig was, slaagt niet. Het is niet aan appellant, maar aan het college om te bepalen of het onderzoek door de GGD noodzakelijk was om vast te stellen over welke mogelijkheden tot arbeidsinschakeling appellant beschikte. Gelet op de inhoud van de eerder genoemde ‘Eindrapportage Trainingen Werkatelier Leiden’ en van het gesprek met appellant op 27 januari 2009 en bezien tegen de achtergrond van het lange uitkeringsverleden van appellant, zijn hoge opleiding en zijn nog jonge leeftijd bestond er voldoende aanleiding voor het college de GGD een onderzoek naar de beperkingen van appellant te laten verrichten waarbij ook zijn psychische gesteldheid zou moeten worden betrokken.

4.7. De beroepsgrond van appellant dat hij het vragenformulier dat hij bij de oproep voor het onderzoek bij de GGD ontving niet hoefde in te vullen omdat het vele irrelevante en diverse onbetamelijke vragen bevatte, treft evenmin doel. Van appellant mocht worden verwacht dat hij dit vragenformulier, dat als hulpmiddel zou worden gebruikt bij onderzoek door de arts van de GGD om zijn beperkingen in kaart te brengen, naar waarheid invulde. Het formulier bevat slechts bij dit soort onderzoeken algemeen gebruikelijke standaardvragen over de personalia van de betrokkene, zijn opleiding, arbeidsverleden, gezondheidstoestand, klachten en ziekten. Verder wordt gevraagd naar specialisten en therapeuten bij wie de betrokkene momenteel onder behandeling is.

4.8. De beroepsgrond van appellant dat hij medewerking aan het onderzoek mocht weigeren omdat zijn medische gegevens bij de GGD niet veilig zijn slaagt niet. Appellant heeft de stelling dat zijn medische gegevens bij de GGD niet veilig zijn niet onderbouwd met concrete en objectiveerbare gegevens. De enkele stelling van appellant dat de Wet bescherming persoonsgegevens en het Reglement voor de bescherming van persoonsgegevens RDOG Hollands Midden (Reglement) onvoldoende waarborgen bieden dat zijn gegevens niet zonder zijn toestemming aan derden worden verstrekt, is daartoe onvoldoende.

4.9. Ook de beroepsgrond van appellant dat hij aan het onderzoek van de GGD geen medewerking hoefde te verlenen omdat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het recht op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, treft geen doel. Er bestond, zoals hiervoor onder 4.6 is overwogen, voor het college voldoende aanleiding de GGD een onderzoek naar de beperkingen van appellant te laten verrichten, waarbij ook zijn psychische gesteldheid zou moeten worden betrokken. De inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant is proportioneel met het onderzoek te dienen doel, het in kaart brengen van de beperkingen van appellant en daarmee zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Ook aan het vereiste van de subsidiariteit is voldaan omdat geen ander passend, minder ingrijpend middel ter beschikking stond. Er is dan ook voldoende rechtvaardiging voor de gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant.

4.10. Gelet op hetgeen onder 4.6 tot en met 4.9 is overwogen, kan van het niet meewerken door appellant aan het onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant overeenkomstig de Verordening te verlagen. Tegen de zwaarte van de opgelegde verlaging heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.11. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard en zijn verzoek om een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 16,80 in hoger beroep voor reiskosten. De kosten van fotokopieën en porto komen, gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, dat een limitatieve opsomming geeft van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, niet voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2009 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 16,80;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2012.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD