Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
08-10-2012
Zaaknummer
10/1950 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant woonde ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet BEU op 1 januari 2000 in Nederland. Op 1 september 2002 is hij naar Turkije verhuisd. In verband met het wonen buiten Nederland is zijn toeslag met ingang van die datum beëindigd. In 2007 heeft appellant opnieuw toeslag op grond van de TW aangevraagd. Deze is hem bij besluit van

27 februari 2008 geweigerd. Appellant is destijds niet in rechte opgekomen tegen de besluiten tot beëindiging c.q. weigering van toeslag. Naar aanleiding van het prejudiciële verzoek van 1 november 2007 heeft appellant het Uwv bij brief van 18 maart 2009 verzocht om terug te komen van het besluit waarbij de toeslag is beëindigd, voor zover daarbij geen compensatie is verleend op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol. Het verzoek is afgewezen door het Uwv: geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Volgens vaste jurisprudentie vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen. Naar aanleiding van de stelling van appellant, dat het Uwv op grond van het arrest Kühne & Heitz, gehouden is terug te komen van de beëindiging van de toeslag nu gebleken is dat deze in strijd is met een internationaal verdrag, wordt het volgende opgemerkt. In genoemd arrest heeft het Hof overwogen dat een bestuursorgaan verplicht is een onherroepelijk geworden besluit opnieuw te onderzoeken ten aanzien van de toepassing van communautair recht op grond van nieuwe jurisprudentie, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. In het onderhavige geval is niet aan de door het Hof gestelde voorwaarden voldaan. Het beëindigingsbesluit is niet door een uitspraak van de hoogste nationale rechter in rechte onaantastbaar geworden, maar door het feit dat appellants beroep niet-ontvankelijk is verklaard en hij daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld. Er kan worden vastgesteld dat de situatie van appellant niet vergelijkbaar is met de situatie van de Turkse uitkeringsgerechtigden die in de uitspraak van 14 maart 2003 aan de orde was. In navolging van de rechtbank is daartoe in aanmerking genomen dat die Turkse uitkeringsgerechtigden al in Turkije woonden ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet BEU op 1 januari 2000. De wet voorzag voor deze groep in een overgangsregeling. De toeslag van deze Turkse uitkeringsgerechtigden is vanaf 1 januari 2001 hersteld en met ingang van 1 juli 2003 weer beëindigd. Appellant is hiermee niet gelijk te stellen. Appellant zijn recht op toeslag is beëindigd in verband met zijn verhuizing naar Turkije in 2002, na de inwerkingtreding van de Wet BEU. Op hem was de overgangsregeling niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1950 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2010, 09/3222 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij een nader stuk heeft het Uwv vragen beantwoord van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2012. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken 10/1915, 10/2022, 10/2024, 10/2025, 10/3060, 11/1310, 11/1311 en 11/4301 TW. Namens appellant is verschenen mr. Türkkol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Eijkhout LL.B en A. Anandbahadoer. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. In de zaken 10/1950 e.v. zullen afzonderlijke uitspraken worden gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. In 2000 heeft het Uwv aan Turkse uitkeringsgerechtigden besluiten toegezonden waarin aan hen werd medegedeeld dat de toeslag die zij ingevolge de Toeslagenwet (TW) ontvingen, vanaf 1 januari 2000 geleidelijk werd afgebouwd. Vanaf 1 januari 2000 werd de gehele uitkering uitbetaald, vanaf 1 januari 2001 twee derden daarvan, vanaf 1 januari 2002 een derde en per 1 januari 2003 werd de uitkering geheel beëindigd. De door het Uwv genomen besluiten waren gebaseerd op artikel 4a van de TW in samenhang met artikel XI van de

Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU).

1.2. Tegen de besluiten waarbij de toeslag in een periode van drie jaar geleidelijk werd afgebouwd, is door een aantal rechthebbenden bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. In de uitspraak van 14 maart 2003, LJN AF5937, heeft de Raad geoordeeld dat de afbouw van de toeslag van 1 januari 2000 tot 1 januari 2003 in strijd was met de exportverplichting neergelegd in artikel 5, eerste lid, van Conventie 118 van de International Labour Organisation betreffende gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid van 28 juni 1962 (ILO-conventie 118).

1.3. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv aan alle Turkse uitkeringsgerechtigden alsnog vanaf 1 januari 2001 een volledige toeslag toegekend. Bij diezelfde besluiten heeft het Uwv de toeslag op grond van artikel 4a van de TW met ingang van 1 juli 2003 beëindigd.

1.4. Tegen de besluiten waarbij de toeslag ingaande 1 juli 2003 werd beëindigd, is door een aantal (andere) rechthebbenden bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. Bij verzoek van 1 november 2007, LJN BB7475, heeft de Raad in de zaken van die betrokkenen prejudiciële vragen voorgelegd aan – thans – het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). In dat verzoek heeft de Raad vastgesteld dat de intrekking van de toeslag in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol), aangezien ten aanzien van die intrekking aan betrokkenen geen enkele compensatie is geboden.

1.5. Appellant woonde ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet BEU op 1 januari 2000 in Nederland. Op 1 september 2002 is hij naar Turkije verhuisd. In verband met het wonen buiten Nederland is zijn toeslag met ingang van die datum beëindigd. In 2007 heeft appellant opnieuw toeslag op grond van de TW aangevraagd. Deze is hem bij besluit van

27 februari 2008 geweigerd. Appellant is destijds niet in rechte opgekomen tegen de besluiten tot beëindiging c.q. weigering van toeslag.

1.6. Naar aanleiding van het prejudiciële verzoek van 1 november 2007 heeft appellant het Uwv bij brief van 18 maart 2009 verzocht om terug te komen van het besluit waarbij de toeslag is beëindigd, voor zover daarbij geen compensatie is verleend op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol.

1.7. Bij primair besluit heeft het Uwv het verzoek om herziening afgewezen. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die er toe leiden dat het beëindigingsbesluit onjuist is.

1.8. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het primaire besluit na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de prejudiciële vraagstelling van de Raad van 1 november 2007 geen nieuw feit oplevert als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin het Uwv aanleiding had behoren te vinden om het beëindigingsbesluit te herzien. Het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank gemotiveerd verworpen.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het prejudicieel verzoek van de Raad als nieuw feit moet worden beschouwd om terug te komen van het besluit waarbij de toeslag is beëindigd, voor zover in verband met die beëindiging aan appellant geen compensatie is verleend als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol. Daarbij is verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie EG van 13 januari 2004 (C-453/00, Kühne & Heitz). Verder is een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel herhaald. Ter zitting is voorts naar voren gebracht dat het verzoek om herziening zich thans eveneens uitstrekte tot het hergeven van de gehele toeslag en dat het verzoek thans ook als een nieuwe aanvraag op grond van de uitspraken van de Raad van 11 november 2011, onder andere LJN BU3176, om toekenning van toeslag dient te worden beschouwd.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 3 maart 2006, LJN AV8305, is een na de beëindiging van het recht ingediende nieuwe aanvraag om een toeslag geen herhaalde aanvraag als bedoeld in of analoog aan artikel 4:6 van de Awb voor zover deze betrekking heeft op een periode gelegen na bedoelde beëindigingsdatum. In zoverre dient zo’n aanvraag te worden behandeld conform de regels gesteld in de TW en de regels en beginselen die anderszins de beslissing op een aanvraag beheersen.

4.3. Zoals de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd, strekte het verzoek van appellant van 18 maart 2009 er op dat moment uitsluitend toe dat het Uwv terugkwam van het besluit waarbij de toeslag per 1 september 2002 was beëindigd, voor zover daarbij geen uitloop is gegeven op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol. Dit verzoek had betrekking op een op dat moment reeds afgesloten periode. Er was op dat moment geen sprake van een nieuwe aanvraag om toekenning van een toeslag. De rechtbank heeft het bestreden besluit derhalve terecht uitsluitend beoordeeld als reactie op een herhaalde aanvraag ter zake van die afgesloten periode.

4.4. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. In het kader van de toetsing door de bestuursrechter kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.5. In het onderhavige geval is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet gebleken. Volgens vaste jurisprudentie vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen.

4.6. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat in zijn geval niet de eis kan gelden dat er nova zijn, gelet op de bijzondere positie van Turkse uitkeringsgerechtigden. Betoogd is dat het een grote groep mensen betreft, die gezien de taalbarrière niet bij machte is de juiste rechtshulp te vinden en daardoor niet gelijkwaardig is aan de overheid. Zij hebben destijds derhalve niet (tijdig) rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen de beëindiging van de toeslag en daarom mag de eis van nova niet worden gesteld. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Ook indien appellant tot de door hem bedoelde groep toeslaggerechtigden zou behoren, moet worden geoordeeld dat deze groep betrokkenen niet zo bijzonder is, dat dit een inbreuk op het (ook voor een bestuursorgaan als het Uwv van betekenis zijnde) rechtszekerheids¬beginsel rechtvaardigt. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat velen in de door appellant bedoelde omstandigheden destijds wel tijdig bezwaar, beroep en hoger beroep hebben kunnen instellen.

4.7. Naar aanleiding van de stelling van appellant, dat het Uwv op grond van het arrest Kühne & Heitz, gehouden is terug te komen van de beëindiging van de toeslag nu gebleken is dat deze in strijd is met een internationaal verdrag, wordt het volgende opgemerkt. In genoemd arrest heeft het Hof overwogen dat een bestuursorgaan verplicht is een onherroepelijk geworden besluit opnieuw te onderzoeken ten aanzien van de toepassing van communautair recht op grond van nieuwe jurisprudentie, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. In het onderhavige geval is niet aan de door het Hof gestelde voorwaarden voldaan. Het beëindigingsbesluit is niet door een uitspraak van de hoogste nationale rechter in rechte onaantastbaar geworden, maar door het feit dat appellants beroep niet-ontvankelijk is verklaard en hij daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld.

4.8. Gegeven het feit dat geen nova zijn aangevoerd, rijst vervolgens de vraag of kan worden gezegd dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel in redelijkheid niet tot de bestreden besluiten heeft kunnen komen. Namens appellant is in dit verband een beroep gedaan op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daarbij in de eerste plaats verwezen naar de situatie ten tijde van de uitspraak van de Raad van 14 maart 2003.

4.9. In dit verband kan worden vastgesteld dat de situatie van appellant niet vergelijkbaar is met de situatie van de Turkse uitkeringsgerechtigden die in de uitspraak van 14 maart 2003 aan de orde was. In navolging van de rechtbank is daartoe in aanmerking genomen dat die Turkse uitkeringsgerechtigden al in Turkije woonden ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet BEU op 1 januari 2000. De wet voorzag voor deze groep in een overgangsregeling. De toeslag van deze Turkse uitkeringsgerechtigden is vanaf 1 januari 2001 hersteld en met ingang van 1 juli 2003 weer beëindigd. Appellant is hiermee niet gelijk te stellen. Zijn recht op toeslag is beëindigd in verband met zijn verhuizing naar Turkije in 2002, na de inwerkingtreding van de Wet BEU. Op hem was de overgangsregeling niet van toepassing. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan derhalve niet slagen evenmin als het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.10. Ook overigens is niet gebleken dat de weigering van het Uwv om terug te komen van het besluit waarbij de toeslag ingaande 1 september 2002 is beëindigd, in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.

4.11. Uit hetgeen hiervoor onder 4.3 tot en met 4.10 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

4.12. De Raad merkt ten slotte op dat de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft aangegeven dat de aanvraag van appellant (thans) tevens moet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag om toeslag. Het Uwv zal nog op deze aanvraag moeten beslissen, waarbij kan worden uitgegaan van de zitting van de Raad als datum van de aanvraag. Bij zijn besluit hierover kan het Uwv voor de periode voorafgaand aan de aanvraag laten wegen dat het bij besluit van 27 februari 2008 reeds heeft geweigerd aan appellant (opnieuw) toeslag toe te kennen, tegen welk besluit appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.R. Schuurman