Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
08-10-2012
Zaaknummer
10-5854 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering ANW-uitkering: hoger inkomen. De Raad acht het beleid van de Svb waarin is gekozen voor een berekening van het maandinkomen door een gelijkelijke verdeling van de winst over het jaar, geen kennelijk onredelijk beleid. De Raad neemt in aanmerking dat het drijven van een onderneming doorgaans met zich brengt dat sprake is van wisselende inkomsten. Eerst na afloop van het boekjaar kan in het algemeen de winst worden vastgesteld.De Raad ziet geen aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat bij het bepalen van het inkomen van een ondernemer, in weerwil van de uitdrukkelijke bepalingen van het Inkomens- en Samenloopbesluit 1996 ANW dient te worden uitgegaan van de privéonttrekkingen. Consistente toepassing van het beleid. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij mogelijk ten onrechte nabestaandenpensioen ontving. De Svb heeft aan appellant verschillende keren, ook in 2007, een brief gestuurd waarin wordt uitgelegd dat de berekening van het recht op nabestaandenuitkering achteraf geschiedt aan de hand van de belastingaangifte en de jaarstukken van zijn onderneming.

Wetsverwijzingen
Inkomens- en samenloopbesluit Anw 1996
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5854 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 september 2010, 09/4499 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 28 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2012. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. Van Ham. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt sedert 2004 een nabestaandenpensioen ingevolge de Algemene Nabestaandenwet (ANW) en drijft een onderneming in vorm van een eenmanszaak.

1.2. Bij besluit van 1 juli 2009, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 29 september 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb de aan appellant toegekende nabestaandenuitkering over het jaar 2007 herzien. Hiertoe is overwogen dat in 2007 de belastbare winst uit onderneming € 7.463,- en de ondernemersaftrek € 7.761,- heeft bedragen. Het daarop gebaseerde inkomen uit arbeid per maand bedraagt € 1.174,69. Bij de betaling van de nabestaandenuitkering was rekening gehouden met een lager inkomen. Er is geen dringende reden om af te zien van herziening met volledig terugwerkende kracht

1.3. Bij brief van 1 juli 2009 heeft de Svb het voornemen kenbaar gemaakt het te veel ontvangen bedrag van € 4.429,68 terug te vorderen en heeft de Svb appellant verzocht een betalingsvoorstel te doen. Het bezwaar tegen deze brief is bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is.

2. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de Svb het bestreden besluit heeft gebaseerd op de juiste gegevens en dat er geen wettelijk voorschrift is dat de Svb verplicht met andere boekhoudkundige gegevens rekening te houden.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het hoger beroep is gericht tegen het besluit tot herziening en het besluit tot terugvordering. Appellant heeft een beroep gedaan op artikel 13 van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW. Verder heeft appellant gesteld dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel nabestaandenpensioen ontving en voorts dat sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 34, tweede lid van de ANW. Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het daarop gebaseerde beleid van de Svb dient van herziening met volledig terugwerkende kracht te worden afgezien omdat appellant geen financiële reserves heeft, ernstig ziek is en leeft van een uitkering van 70% van het minimumloon.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat in 2007 de belastbare winst uit onderneming € 7.463,- en de ondernemersaftrek € 7.761,- bedraagt. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat in de zin van artikel 13 van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996. Appellant heeft betoogd dat in plaats van deze bedragen de privéonttrekkingen maatgevend dienen te zijn voor het inkomen. Verder dient het jaarinkomen niet te worden herleid tot een gemiddeld inkomen per maand omdat hij in de eerste maanden van 2007 nagenoeg geen omzet heeft behaald.

4.2. Artikel 18, eerste lid, van de ANW bepaalt dat op de nabestaandenuitkering het inkomen in mindering wordt gebracht. Artikel 10, eerste lid van de ANW bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan het inkomen van de nabestaande uit arbeid of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. Het tweede lid van artikel 10 van de ANW bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode waarop die vaststelling betrekking heeft. Deze nadere regels zijn neergelegd in het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996 (Stb. 1996, 306).

4.3. Ingevolge artikel 2, sub b, van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996 wordt onder inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven onder meer verstaan winst uit bedrijf en zelfstandig uitgeoefend beroep. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996 wordt onder winst als hier bedoeld, verstaan - kort gezegd - de belastbare winst uit onderneming vermeerderd met de ondernemersaftrek. De Nota van toelichting vermeldt bij artikel 6 van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996 dat het winstbegrip is overgenomen uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en dat het begrip op overeenkomstige wijze dient te worden uitgelegd. Artikel 8, eerste lid, van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996 bepaalt dat het inkomen uit arbeid uit het bedrijfs- of beroepsleven wordt vastgesteld op het tot een bedrag per maand herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat de uitkeringsgerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt vastgesteld, verwerft. Indien de toepassing van artikel 8, eerste lid, of artikel 11 van het Inkomens- en Samenloopbesluit ANW 1996 leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, dan bepaalt de Svb het inkomen ingevolge artikel 13 op andere wijze.

4.4. De Svb heeft in beleidsregels vastgelegd wanneer sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat en hoe het inkomen dan wordt bepaald. Voor zover hier van belang houdt het beleid in dat winst uit onderneming wordt geacht gelijkelijk over het boek- of kalenderjaar te zijn genoten. De Raad acht het beleid van de Svb waarin is gekozen voor een berekening van het maandinkomen door een gelijkelijke verdeling van de winst over het jaar, geen kennelijk onredelijk beleid. De Raad neemt in aanmerking dat het drijven van een onderneming doorgaans met zich brengt dat sprake is van wisselende inkomsten. Eerst na afloop van het boekjaar kan in het algemeen de winst worden vastgesteld. Die winst is uitgangspunt voor de toepassing van fiscale regelgeving, bij welke regelgeving, zo blijkt uit 4.3, dient te worden aangesloten. Het bestreden besluit is in overeenstemming met dit beleid. Voorts ziet de Raad geen aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat bij het bepalen van het inkomen van een ondernemer, in weerwil van de uitdrukkelijke bepalingen van het Inkomens- en Samenloopbesluit 1996 ANW dient te worden uitgegaan van de privéonttrekkingen.

4.5. Tussen partijen is voorts in geschil of de Svb, op grond van het door haar gevoerde beleid, de terugwerkende kracht van de herziening had dienen te beperken. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat van herziening met volledig terugwerkende kracht te worden afgezien omdat appellant geen financiële reserves heeft, ernstig ziek is en leeft van een uitkering van 70% van het minimumloon. Uit de beleidsregels van de Svb blijkt dat de Svb op grond van artikel 34, tweede lid van de ANW niet tot herziening met volledig terugwerkende kracht overgaat als de uitkeringsgerechtigde al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. Voorts wordt met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Daarbij weegt mee de mate waarin aan belanghebbende en aan de Svb een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering onevenredig ingrijpend is in het dagelijks leven van belanghebbende. De Raad is thans van oordeel - in lijn met zijn uitspraken van 16 juli 2010 (LJN BN2197) en 5 november 2010 (LJN BO3352) - dat het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt dient te worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.6. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij mogelijk ten onrechte nabestaandenpensioen ontving. De Svb heeft aan appellant verschillende keren, ook in 2007, een brief gestuurd waarin wordt uitgelegd dat de berekening van het recht op nabestaandenuitkering achteraf geschiedt aan de hand van de belastingaangifte en de jaarstukken van zijn onderneming. Er is op gewezen dat een wijziging in het inkomen van invloed kan zijn op de hoogte van de nabestaandenuitkering en dat veranderingen in het inkomen steeds dienen te worden doorgegeven zodat de Svb de hoogte van de uitkering opnieuw kan vaststellen. Het kon appellant duidelijk zijn dat het recht op nabestaandenuitkering na het opstellen van de jaarstukken zou worden herbeoordeeld en zonodig herzien. In dat licht zijn er geen bijzondere omstandigheden die tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Er kan niet geconcludeerd worden dat de Svb voormeld beleid niet op consistente wijze heeft toegepast.

4.7. De Svb heeft het bezwaar tegen aankondiging van de terugvordering in de brief van 1 juli 2009 terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De onder 1.3 genoemde brief van 1 juli 2009 bevat slechts het voornemen tot terugvordering over te gaan en is derhalve niet op rechtsgevolg gericht. De gronden die hierop zien kunnen geen doel treffen.

4.8. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Naar het oordeel van de Raad bestaat er geen grond om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.R. Schuurman