Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
10-3411 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. De Raad ziet geen grondslag voor het standpunt van appellant dat de deskundige in deze zaak niet onpartijdig was als bedoeld in artikel 8:34 van de Algemene wet bestuursrecht. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3411 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], voorheen wonende te [woonplaats 1], thans te [woonplaats 2] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Hertogenbosch van 17 mei 2010, 09/1337 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Delft, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadien desgevraagd enkele stukken ingediend.

De door de Raad als deskundige benoemde dr. C.C. Kan, psychiater te Nijmegen, heeft op 21 februari 2011 verslag van het door hem ingestelde onderzoek gedaan.

Het Uwv heeft op dit verslag gereageerd met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben van 23 maart 2011.

De gemachtigde van appellant heeft ook gereageerd op dit verslag met daarbij gevoegd een reactie van de huidige echtgenote van appellant.

De gemachtigde van appellant heeft op 9 november 2011 een commentaar van appellant op meergenoemd verslag ingediend en daarbij gevoegd een woonurgentie rapport van 12 mei 2009.

De gemachtigde van appellant heeft op 23 november 2011 andermaal een commentaar van appellant ingezonden en daarbij gevoegd een tweetal psychiatrische rapporten van

28 en 30 oktober 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

De Raad heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft daarom het onderzoek heropend.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 6 maart 2012, mede gelet op de op 9 en 23 november 2011 ingebrachte commentaren van appellant op het verslag van de deskundige, aan de deskundige een reactie daarop gevraagd en hem enkele vragen voorgelegd. Met het oog hierop heeft de Raad op 28 maart 2012 aan de gemachtigde van appellant nadere informatie gevraagd.

Appellant zelf heeft op 28 maart 2012 een aantal stukken overgelegd. Zijn gemachtigde heeft bij brief van 1 mei 2012 de gevraagde informatie verstrekt en heeft bij afzonderlijke brief van 1 mei 2012 een deel van de patiëntenkaart van appellant van zijn voormalige huisarts overgelegd.

De deskundige heeft op 12 juni 2012 nader verslag uitgebracht. Hierop hebben de gemachtigde van appellant en het Uwv bij brieven van 29 juni onderscheidenlijk 9 juli 2012 gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een tweede zitting. Hierna heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk werkzaam als manager bij Kwik-Fit. Hij meldde zich op 14 juni 2006 vanuit een werkloosheidssituatie ziek met psychische klachten.

2. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 15 april 2008 onderzocht door de verzekeringsarts L.M.J.H. Andriessen. In haar rapport van 24 april 2008 maakt zij melding van de beoordelingen door verzekeringsartsen tijdens het Ziektewettraject. Daarbij werd onder andere vermeld de door de behandelende psycholoog in juni 2007 gestelde diagnose aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken en het voorkomen bij appellant van enkele narcistische trekken. Naar aanleiding van haar eigen onderzoek won zij informatie in bij de huisarts. Op basis van die informatie en van een nieuw spreekuuronderzoek op 14 augustus 2008 concludeerde ook Andriessen in een rapport van 29 juli en 14 augustus 2008 tot deze diagnose en legde zij de beperkingen van appellant vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vastgesteld dat geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Vervolgens stelde het Uwv bij besluit van 22 september 2008 vast dat voor appellant met ingang van 11 juni 2008 geen recht was ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

3.1. In de bezwaarprocedure legde appellant informatie over van de hem na een - ook reeds door Andriessen vermelde - verwijzing door de huisarts sinds 11 september 2008 behandelende psycholoog C.J.C. Verkaart. Deze behandelaar stelde als diagnose een depressieve stoornis en (trekken van de) narcistische persoonlijkheidsstoornis en vermeldde ook dat hij geen diagnose over de datum in geding kon stellen.

3.2. De in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Sijben woog in een rapport van 4 februari 2009 de beschikbare medische informatie, waaronder ook die van Verkaart, en beargumenteerde waarom naar zijn mening de door Andriessen opgestelde FML, zij het met een toevoeging ten aanzien van de schouderbelasting, diende te worden gehandhaafd. Sijben gaf nog aan dat er geen reden was waarom appellant niet onder een leidinggevende zou kunnen werken. Bij het onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige werd de functieduiding en de conclusie inzake het verlies aan verdienvermogen gehandhaafd. Het Uwv verklaarde hierna het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 september 2008 bij besluit van 3 maart 2009 ongegrond.

4.1. In beroep legde de gemachtigde van appellant, naast het ook in rubriek I vermelde woonurgentierapport, een brief van Verkaart van 12 mei 2009 over, waarin deze nogmaals toelichtte geen diagnose te kunnen stellen over de situatie op de datum in geding. Voorts gaf hij aan dat na de diagnosestelling door de GGZ-Nijmegen in maart 2008 sprake was van een verslechtering, welke leidde tot zijn in 3.1 vermelde diagnose.

4.2. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 maart 2009 (bestreden besluit) ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Zij onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit en de bij het bestreden besluit gehandhaafde functieduiding.

5.1. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank niet dan wel onvoldoende de in 4.1 vermelde informatie van Verkaart bij haar beoordeling heeft betrokken. Tevens heeft appellant bij vernietiging van het bestreden besluit verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet eerder toegekende uitkering.

6.1. De Raad heeft aanleiding gezien de in rubriek I vermelde deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

6.2. De deskundige beschreef in zijn rapport van 21 februari 2011 de door hem afgenomen anamnese, de situatie van appellant ten tijde van de datum in geding, een heteroanamnese van de huidige echtgenote van appellant en de relevante medische gegevens uit het dossier. Op basis van een en ander en op basis van zijn eigen psychiatrisch onderzoek stelde de deskundige vast dat het in de periode rond de datum in geding relatief goed ging met appellant, mogelijk in verband met gewijzigde medicatie en met het feit dat appellant in die tijd een nieuwe vriendin kreeg, met wie hij in mei 2008 met vakantie ging. Voorts bracht de deskundige deze vaststelling in verband met de door hem opgetekende activiteiten van appellant in en buiten zijn huis in die periode. Als diagnose stelde de deskundige voor de datum in geding een aanpassingsstoornis in remissie. Voorts gaf volgens de deskundige de narcistische persoonlijkheidsstoornis van appellant op die datum geen aanleiding tot significante psychische klachten. De deskundige kon zich alleen niet verenigen met de onderdelen II-6 (emotionele problemen van anderen hanteren) en II-7 (eigen gevoelens uiten) van de FML in die zin dat hij appellant op onderdeel II-6 niet en onderdeel II-7 juist wel beperkt achtte. Ten slotte achtte de deskundige appellant in staat tot het vervullen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

6.3. In zijn reactie van 23 maart 2011 gaf Sijben aan te kunnen instemmen met de visie van de deskundige ten aanzien van de onderdelen II-6 en II-7 van de FML.

7.1. De Raad wijst er in de eerste plaats op dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.

7.2.1. In de in rubriek I van deze uitspraak vermelde reacties van de gemachtigde van appellant en appellant zelf ziet de Raad geen aanleiding het advies en de conclusies van de deskundige niet te volgen. De Raad maakt uit de reacties van appellant zelf op dat zijn voornaamste grief tegen het onderzoek van de deskundige is dat hij niet als onpartijdig in zijn zaak kan gelden omdat hij destijds de behandelaar van de ex-echtgenote van appellant was. Appellant is immers, aldus zijn relaas, in 2006 gescheiden en daarvoor vergezelde hij haar bij de behandeling door onder andere de deskundige. Ter zitting verklaarde appellant dat die behandeling zich niet tevens tot hem uitstrekte omdat hij in die periode geen psychische klachten had.

7.2.2. Naar aanleiding hiervan heeft de Raad de deskundige Kan, zoals in rubriek I is vermeld, om een reactie gevraagd en hem enkele vragen voorgelegd. De deskundige heeft in zijn nader verslag van 12 juni 2012 vermeld dat hij met toestemming van de ex-echtgenote van appellant haar patiëntendossier heeft geraadpleegd en dat dit uitwees dat hij niet haar behandelaar is geweest, dat zij door collega’s is behandeld en dat hij noch met haar noch met appellant een direct contact heeft gehad in het kader van de behandeling. Wat betreft de gestelde weigering van behandeling van appellant door het UMC Radboud in het voorjaar van 2008 in verband met de behandelrelatie van zijn ex-echtgenote merkte de deskundige op dat er geen patiëntenkaart van appellant op de Afdeling psychiatrie is, maar dat in 2008 nog geen systematische registratie van aanmeldingen werd bijgehouden zodat de gestelde weigering door de deskundige niet kan worden geverifieerd of gefalsificeerd. Wel vermeldde de deskundige dat afwijzing voor behandeling op de door appellant gestelde grond niet aannemelijk is omdat appellant bij een andere behandelaar in behandeling had kunnen komen dan de behandelaar van zijn ex-echtgenote.

7.2.3. Gelet op de in 7.2.2 samengevat weergegeven reactie van de deskundige ziet de Raad geen grondslag voor het standpunt van appellant dat de deskundige in deze zaak niet onpartijdig was als bedoeld in artikel 8:34 van de Algemene wet bestuursrecht.

De enkele door de gemachtigde in zijn brief van 29 juni 2006 verwoorde verwachting dat over behandelingen door de collega’s onderling werd gesproken zodat de deskundige wel voorkennis had via de ex-echtgenote van appellant, acht de Raad te speculatief om daarop het oordeel te grondvesten dat de deskundige niet onpartijdig was. Voorts bevat het door gemachtigde van appellant overgelegde gedeelte van de patiëntenkaart van zijn voormalige huisarts geen gegevens waaruit kan worden afgeleid dat sprake was van de door appellant gestelde weigering van behandeling in het voorjaar van 2008, reeds niet omdat die kaart de periode van 15 mei tot en met 14 september 2006 betreft.

7.2.4. De Raad gaat voorts voorbij aan de reactie van de gemachtigde van appellant op het rapport van de deskundige omdat deze reactie geheel berust op een eigen interpretatie van de door de deskundige gevolgde systematiek van diagnosestelling volgens de DSM-IV classificatie en omdat deze reactie niet (mede) berust op een nadere onderbouwing door een ter zake deskundig medisch adviseur of behandelaar.

7.3. De overwegingen 7.1 tot en met 7.2.4 brengen de Raad tot de slotsom dat hij het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit - zij het met in achtneming van de conclusies van de deskundige ten aanzien van de door de deskundige bedoelde onderdelen van de FML - deelt.

7.4. Op basis van overweging 7.3 en gelet op de in overweging 6.2. vermelde conclusies van de deskundige heeft de Raad geen twijfel over de medische geschiktheid van de geduide functies, waartegen namens appellant in hoger beroep overigens geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd.

7.5. De overwegingen 7.1 tot en met 7.4 brengen de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Tevens dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) G.J. van Gendt

NW