Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
10-6629 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand: schending inlichtingenverplichting, meer uren werkzaam dan aan het college opgegeven.

De bevindingen van het onderzoek vormen een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant meer uren heeft gewerkt dan de door hem opgegeven 20 uur per maand. Aan de stelling dat appellant niet aan zijn verklaringen kan worden gehouden omdat hij - gezien zijn Iranese achtergrond en angst voor de politie - heeft verklaard wat de sociale recherche wilde horen wordt voorbijgegaan. Dit eerst ter zitting ingenomen standpunt heeft appellant op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Het betoog van appellant dat de bevindingen van de observaties bevestigen dat hij niet meer dan 20 uur per maand voor M. werkte slaagt niet. De observaties die de sociale recherche heeft verricht hebben niet in het weekend plaatsgevonden. Niet ter discussie staat dat appellant in ieder geval op zaterdagen werkte. Dit betekent dat de uren die appellant op de zaterdag werkte tesamen met de uren waarop hij door de sociale recherche door de week werkend voor de bakkerij is gesignaleerd - ook al zou dat, zoals appellant thans stelt, incidenteel zijn geweest - in ieder geval neerkomen op een werkomvang van meer dan 20 uur per maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6629 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 oktober 2010, 10/476 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 22 augustus 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.H. Werink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Werink en vergezeld van S.A. Markarian als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 1 december 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Appellant heeft het college opgegeven vanaf 1 februari 2007 bij [M.] te Groningen te werken als oproepkracht in de functie van chauffeur. Sinds 1 februari 2007 staat [E.] bij de Kamer van Koophandel als eigenaar van [M.] ingeschreven. Bij het inlichtingenformulier over de maand september 2009 heeft appellant een arbeidscontract met [M.] overgelegd voor 20 uur per maand. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant meer uren werkzaam is dan hij aan het college heeft opgegeven, heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader hiervan is dossieronderzoek verricht, informatie bij derden opgevraagd, zijn observaties verricht, getuigen gehoord en heeft appellant diverse verklaringen afgelegd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een door de sociale recherche opgemaakte rapportage van 19 november 2009. Deze resultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 25 november 2009 de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2007 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 oktober 2009 tot een bedrag van € 29.693,89 van appellant terug te vorderen. Het onderzoek van de sociale recherche is in een later stadium uitgebreid en afgerond in samenwerking met de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst steunpunt Groningen (SIOD). In het kader van dit onderzoek is onder meer [E.] gehoord.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 november 2009. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft het college een zogenoemd Dienstrapport Sociale Zaken en Werk (dienstrapport) opgemaakt, teneinde zijn standpunt aan de commissie en bezwaarde kenbaar te maken. Bij besluit van 29 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2009, overeenkomstig het advies van de commissie voor bezwaarschriften sociale zaken en werk (commissie), ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant voert aan dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar het Dienstrapport Sociale Zaken en Werk (dienstrapport) en het verslag van de hoorzitting en stelt dat deze verwijzing niet als motivering van het bestreden besluit kan dienen. Appellant wordt niet gevolgd in dit betoog. In het bestreden besluit wordt namelijk niet alleen verwezen naar de inhoud van het dienstrapport en het verslag van de hoorzitting, maar ook naar het advies van de commissie. Voor zover appellant heeft beoogd er mede over te klagen dat in dit advies niet op al zijn bezwaren tegen het besluit van 25 november 2009 is ingegaan, wordt opgemerkt dat het college niet gehouden is om op alle gronden of argumenten in te gaan en zich mag beperken tot de kern daarvan.

4.2. De rechtbank heeft, anders dan appellant heeft betoogd, terecht geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het college dat appellant vanaf 1 februari 2007 meer uren heeft gewerkt dan de door hem opgegeven 20 uur per maand. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die appellant tegenover de sociale recherche op 28 en 29 oktober 2009 heeft afgelegd. Appellant heeft in zijn tweede op 28 oktober 2009 afgelegde verklaring - onder uitdrukkelijke intrekking van zijn eerdere verklaringen - verklaard dat hij om 07.00 uur naar de [M.] rijdt en vervolgens tot 11.00 uur of 11.30 uur gedurende drie of vier dagen per week voor [M.] werkt als [functie] in onder meer Groningen, Drachten, Heerenveen en Leeuwarden. Voorts heeft hij verklaard dat hij meestal drie dagen per week op wisselende dagen werkt en dat alleen de zaterdag een vaste werkdag is. Later die dag heeft appellant verklaard dat hij de helft van de weken waarin hij werkt zes dagen per week werkt en de overige weken drie of vier dagen. Deze verklaringen over de omvang van zijn werkzaamheden bij [M.] worden ondersteund door de op 10 december 2009 door [E.] tegenover twee opsporingambtenaren van de SIOD afgelegde verklaring. [E.] heeft verklaard dat appellant zes dagen in de week gemiddeld vier tot vijf uur per dag voor hem werkte. Deze verklaring is op ambtseed opgemaakt en door [E.] ondertekend.

4.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 2 november 2010, LJN BO2768) dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht. Aan de stelling dat appellant niet aan zijn verklaringen kan worden gehouden omdat hij - gezien zijn Iranese achtergrond en angst voor de politie - heeft verklaard wat de sociale recherche wilde horen wordt voorbijgegaan. Dit eerst ter zitting ingenomen standpunt heeft appellant op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dit geldt eveneens voor zijn stelling dat [E.] in strijd met de waarheid heeft verklaard.

4.4. Het betoog van appellant dat de bevindingen van de observaties bevestigen dat hij niet meer dan 20 uur per maand voor [M.] werkte slaagt niet. De observaties die de sociale recherche gedurende de periode van mei tot en met oktober 2009 heeft verricht hebben niet in het weekend plaatsgevonden. Niet ter discussie staat dat appellant in ieder geval op zaterdagen werkte. Dit betekent dat de uren die appellant op de zaterdag werkte tesamen met de uren waarop hij door de sociale recherche door de week werkend voor de [M.] is gesignaleerd - ook al zou dat, zoals appellant thans stelt, incidenteel zijn geweest - in ieder geval neerkomen op een werkomvang van meer dan 20 uur per maand.

4.5. Het voorgaande betekent dat appellant meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. Door aan het college geen juiste opgave te doen van het aantal uren dat hij feitelijk heeft gewerkt, heeft appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.6. Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoeftige omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode recht op, al dan niet aanvullende, bijstand bestond.

4.7. Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft van zijn werkzaamheden voor [M.] geen deugdelijke administratie bijgehouden dan wel op andere wijze verifieerbare gegevens verstrekt waaruit de omvang van zijn werkzaamheden en de genoten inkomsten zijn vast te stellen. Door dit na te laten heeft appellant een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand ten tijde hier in geding, voor zijn rekening dienen te blijven. Hieruit volgt dat het recht op bijstand van appellant vanaf

1 februari 2007 niet kan worden vastgesteld.

4.8. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en W.H. Bel en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) R. Scheffer