Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
10-4159 INBURG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene inburgeringsplichtig is en voor 25 juni 2014 het inburgeringsexamen behaald moet hebben? De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant gehouden was in bezwaar onderzoek te doen naar de gevolgen van Europese regels voor de (on)mogelijkheid de inburgeringsplicht op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4159 INBURG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2010, 09/3165 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)

[A. te B.]

Datum uitspraak 28 september 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.F. Wassenaar, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Met een brief van 19 juni 2012 heeft mr. Wassenaar vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Namens appellant is verschenen mr. M. van Andel. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wassenaar.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft betrokkene, die de Colombiaanse nationaliteit heeft, op 25 juni 2009 medegedeeld dat zij, op grond van de Wet Inburgering (Wi), inburgeringsplichtig is en voor 25 juni 2014 het inburgeringsexamen behaald moet hebben. In het bezwaarschrift van 20 juli 2009 wordt onder andere gemeld dat de partner van betrokkene een internationaal ondernemer is.

1.2. In de beslissing op bezwaar van 28 augustus 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar voor zover gericht tegen de oplegging van de inburgeringsplicht en voor zover gericht tegen de plicht een inburgeringscursus te volgen niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen het niet verlenen van vrijstelling van de inburgeringsplicht is door appellant ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, geoordeeld dat de brief van 25 juni 2009 op rechtsgevolg is gericht en derhalve een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant uit de mededeling in het bezwaarschrift over het internationaal ondernemerschap van de partner van betrokkene, alsmede uit het beroepschrift, had moeten afleiden dat betrokkene mogelijk een beroep deed op Europeesrechtelijke regelgeving. In ieder geval had appellant nader moeten onderzoeken of betrokkene, gezien het recht op het vrij verkeer van diensten, op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b en d, van de Wi, als niet inburgeringsplichtig aangemerkt moet worden. In zoverre is het bestreden besluit vernietigd.

3. In hoger beroep bestrijdt appellant dat hij nader onderzoek had moeten doen. Appellant meent dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden met betrekking tot het Europees recht, nu het verrichten van relevante grensoverschrijdende activiteiten niet is gesteld, noch is gebleken.

4.1. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Nu in de Wi bepalingen zijn gewijd aan de gevolgen van Europese regels op de (on)mogelijkheid de inburgeringsplicht op te leggen, had appellant hier alert op moeten zijn. Appellant was gehouden in de bezwaarfase het primaire besluit van 25 juni 2009 volledig te heroverwegen. Nu betrokkene in die fase van de procedure zonder professionele rechtsbijstand procedeerde, had het des te meer op de weg van appellant gelegen nadere informatie te vragen over het internationale karakter van de werkzaamheden.

4.2. Partijen hebben ter zitting laten weten dat, mocht de Raad ook van oordeel zijn dat appellant nader onderzoek had moeten doen op dit punt, ze er de voorkeur aan geven het geding voort te zetten in de bezwaarfase. Zoals uit 4.1 blijkt, deelt de Raad het oordeel van de rechtbank op dit punt. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak bevestigen voor zover aangevochten.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt appellant tot vergoeding aan betrokkene van € 874,- aan proceskosten in hoger

beroep;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 448,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.R. Schuurman

GdJ