Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
11-2180 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om studiefinanciering voor de opleiding Medunarodno Pravo i Diplomatija aan de Americki Univerzitet u Bih te Tuzla in Bosniƫ en Herzegovina. In het advies van de Nuffic van 18 maart 2010 - waarin aandacht is besteed aan het accreditatiesysteem en aan de samenwerking met de State University of New York - is vermeld dat er te veel onzekerheden zijn over het niveau en de kwaliteitszorg van de opleiding. Het advies is deugdelijk en de vereiste duidelijkheid is aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2180 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 maart 2011, 09/774 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak 21 september 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.W. Knottenbelt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 juni 2012. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 11 september 2009 (bestreden besluit) heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd haar besluit de aanvraag van appellante om studiefinanciering voor de opleiding Medunarodno Pravo i Diplomatija aan de Americki Univerzitet u Bih te Tuzla in Bosniƫ en Herzegovina (opleiding) af te wijzen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep van appellante tegen het besluit van 11 september 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de Minister het bestreden besluit niet had mogen baseren op het advies van de Nuffic - de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs - gedateerd 3 september 2009, omdat dit advies niet voldoende duidelijkheid biedt ter zake van de accreditatie van de instelling en dat niet kan worden gegarandeerd dat met de opleiding het gewenste eindniveau wordt bereikt.

De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten, omdat met het nadere advies van de Nuffic van 18 maart 2010 de vereiste duidelijkheid wel is gegeven. In dit advies - waarin aandacht is besteed aan het accreditatiesysteem en aan de samenwerking met de State University of New York - is vermeld dat er te veel onzekerheden zijn over het niveau en de kwaliteitszorg van de opleiding. Naar het oordeel van de rechtbank is dit nadere advies deugdelijk. Uit dit nadere advies volgt dat de rechtsgevolgen die met het bestreden besluit in het leven zijn geroepen juist zijn.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte haar gronden van beroep niet heeft gehonoreerd. Appellante heeft in hoger beroep in essentie de gronden van beroep herhaald en gesteld dat anders dan de Nuffic in haar advies heeft vermeld geen onzekerheden betreffende de accreditatie en kwaliteitszorg aanwezig zijn. Appellante heeft gewezen op de samenwerkingsovereenkomst met de State University of New York en de tijdelijke accreditatie van de Bosnische overheid.

4.1. De rechtbank heeft de gronden van beroep op juiste wijze besproken en beoordeeld. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het advies van de Nuffic van 18 maart 2010 deugdelijk is en dat hieruit volgt dat de rechtsgevolgen die met het bestreden besluit in het leven zijn geroepen juist zijn. Nu de gronden van hoger beroep in essentie een herhaling zijn van de gronden van beroep leiden deze gronden niet tot een ander oordeel dan door de rechtbank is gegeven De Raad heeft aan het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust niets toe te voegen.

4.2. Het hoger beroep van appellante treft dan ook geen doel. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

4.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2012.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.R. Baas

GdJ