Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8893

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
10-3674 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van appellant is terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het ontslagbesluit. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Niet is in te zien dat destijds aan appellant de mogelijkheid is onthouden om tegen het ontslagbesluit bezwaar te maken en daarbij het rapport van het MGO te betrekken. In dat kader had hij alles kunnen aanvoeren wat hij nu naar voren heeft gebracht, nog daargelaten hoe dit zou kunnen afdoen aan de conclusie dat hij ongeschikt is voor de militaire dienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3674 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2010, 10/1676 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Staatssecretaris van Defensie, thans: de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak 27 september 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en aan de minister vragen gesteld. De minister heeft hierop geantwoord. Appellant heeft daarop gereageerd.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2012. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. De minister heeft desgevraagd een stuk ingezonden. Appellant heeft daarop gereageerd. Desgevraagd hebben beide partijen schriftelijk toestemming gegeven het nadere onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft aldus bepaald en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In verband met een herverdeling van taken wordt thans de Minister van Defensie als procespartij aangemerkt. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was korporaal 1 bij de Koninklijke Luchtmacht. Na het verkrijgen van die rang is hij verwikkeld geraakt in arbeidsconflicten. Bij brief van 17 september 2003 heeft het Hoofd Personeel en Organisatie, namens de Plaatsvervangend Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, appellant voorgedragen voor een militair geneeskundig onderzoek (MGO). Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 2 december 2003. In het daarvan opgemaakte rapport, gedateerd 4 mei 2004, is aangegeven dat appellant lijdt aan een psychische aandoening zonder dienstverband en dat bij hem sprake is van een niet met de militaire dienst verenigbare karakterstructuur. Met ingang van 1 maart 2005 is aan appellant eervol ontslag verleend wegens blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek, als bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (Amar). In verband hiermee is hem bij besluit van 21 juni 2005 een arbeidsongeschiktheidspensioen met een suppletie toegekend. Daarbij is tevens overwogen dat appellant geen recht heeft op een invaliditeitspensioen.

2.2. Bij brief van 30 november 2009 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen Koninklijke Luchtmacht van 2 december 2003. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft de minister overwogen dat het rapport van het MGO geen voor bezwaar of beroep vatbare beslissing bevat. Om die reden is het verzoek opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit om appellant per 1 maart 2005 ontslag te verlenen. Dit verzoek is afgewezen op de grond dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht.

2.3. Bij besluit van 26 februari 2010 (bestreden besluit) heeft de minister het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog kort samengevat dat het verzoek van 30 november 2009 terecht is opgevat als een verzoek om terug te komen van het ontslagbesluit en dat dit verzoek mocht worden afgewezen nu er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan ten grondslag zijn gelegd.

4. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad verenigt zich met de aangevallen uitspraak en onderschrijft in grote lijnen de overwegingen waarop deze berust. Daarbij verwijst de Raad nog naar zijn uitspraak van heden, onder nummer 09/1123 MPW, in het geschil tussen partijen met betrekking tot de weigering om appellant alsnog een invaliditeitspensioen toe te kennen.

4.2. Hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Niet is in te zien dat destijds aan appellant de mogelijkheid is onthouden om tegen het ontslagbesluit bezwaar te maken en daarbij het rapport van het MGO te betrekken. In dat kader had hij alles kunnen aanvoeren wat hij nu naar voren heeft gebracht, nog daargelaten hoe dit zou kunnen afdoen aan de conclusie dat hij ongeschikt is voor de militaire dienst. Ook het alsnog door de minister overgelegde stuk met het opschrift “medisch geheim, behorende bij volledig re-integratieplan Klu”, gedateerd 16 september 2003, behelst geen relevante nieuwe gegevens. Het gaat hier – kort gezegd – om een verklaring van de bedrijfsarts Van Hootegem dat pogingen tot re integratie van appellant zijn mislukt en dat de prognose erg slecht is. Gelet op de datum en de inhoud, acht de Raad aannemelijk dat dit het stuk is dat als bijlage “A” was gevoegd bij het verzoek van het Hoofd Personeel en Organisatie, gedateerd 17 september 2003, om appellant aan het MGO te onderwerpen. Als zodanig werpt het geen enkel nieuw licht op de zaak. De Raad is het met appellant eens dat het aan de minister valt te verwijten dat dit stuk niet eerder is overgelegd. Daarin kan echter op zichzelf geen reden zijn gelegen om het ontslag ongedaan te maken. Bovendien verdienen de inspanningen van de huidige gemachtigde van de minister om het stuk alsnog boven water te krijgen alle waardering.

4.3. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2012.

(getekend) R. Kooper

De griffier is buiten staat te tekenen

HD