Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
10-6371 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15%. Later opnieuw ziekgemeld: dezelfde ziekteoorzaak als voorheen. De voornaamste klacht van appellant is de al jaren bestaande hoofdpijn. Toekenning WAO-uitkering: mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn klachten en de daaruit volgende beperkingen voor arbeid op de datum in geding ernstiger zijn dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad verwijst nog naar de ziektewetrapportage van de verzekeringsarts met daarin onder andere een samenvatting van een eerdere ziektewetrapportage waarin is vermeld dat er geen manifeste psychopathologie is en dat sprake lijkt te zijn van een flinke gedragscomponent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6371 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2010, 10/1434 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Namens appellant is verschenen mr. Van Schaik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 1 september 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 26 oktober 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% was.

1.2. Bij brief van 1 augustus 2007 heeft appellant, laatstelijk werkzaam als agrarisch medewerker, zich vanuit een situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving opnieuw arbeidsongeschikt gemeld wegens hoofdpijn en depressieve klachten.

1.3. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 22 juni 2009 vastgesteld dat de ziekmelding per 1 augustus 2007 berust op dezelfde ziekteoorzaak als voorheen. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de voornaamste klacht van appellant de al jaren bestaande hoofdpijn is. Bij psychisch onderzoek heeft de verzekeringsarts een wat sombere stemming vastgesteld. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van eveneens 22 juni 2009. Vervolgens heeft het Uwv na arbeidskundig onderzoek bij besluit van 10 september 2009, na het verstrijken van een wachttijd van vier weken, met ingang van 29 augustus 2007 aan appellant opnieuw een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.4. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van hoofdpijnklachten en psychische klachten in combinatie met medicijngebruik meer beperkt is. Appellant is van mening dat in de ziektewetrapportage melding wordt gemaakt van ernstiger klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 3 maart 2010 te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de voor appellant door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft erop gewezen dat ook verzekeringsarts P. Maarsen in de ziektewetrapportage van 16 december 2008 schrijft dat er sprake is van depressieve symptomen en een trage psychomotoriek. Dit is in de FML ondervangen door naast een beperking voor stresserende factoren ook een beperking voor ‘hoog handelingstempo’ op te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat in de ziektewetrapportages geen beduidend andere feiten worden beschreven dan in de rapportages in het kader van de WAO-beoordeling. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook geconstateerd dat uit het onderzoek van de neuroloog geen afwijkingen ter verklaring van de hoofdpijnklachten naar voren zijn gekomen. Ten aanzien van de nekklachten zijn bij onderzoek door de verzekeringsarts geen specifieke afwijkingen geconstateerd. Bij besluit van 12 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 10 september 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er - zoals appellant stelt - inderdaad een omslagpunt lijkt te zitten tussen de bevindingen van de arts in de ziektewetrapportage van 16 december 2008 ten opzichte van diens rapportage van 28 april 2009 en de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zijn beperkingen constant en even ernstig zijn gebleven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv niet gehouden was de ziektewetrapportage als uitgangspunt te nemen en dat de (bezwaar)verzekeringsartsen aan de hand van hun bevindingen tot een eigen oordeel konden komen. Gelet op onder meer de uitvoerige beschrijving van de anamnese, de onderzoeksbevindingen en de wijze waarop de verzekeringsartsen hun conclusies hebben onderbouwd, kan niet worden geoordeeld dat de hierop gebaseerde besluitvorming onvoldoende zorgvuldig is voorbereid of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat een beoordeling in het kader van de WAO een ander toetsingskader heeft dan een beoordeling in het kader van de Ziektewet. Voorts heeft de rechtbank van belang geacht dat de bevindingen van Maarsen, de informatie van het RIAGG van 27 oktober 2008 en de informatie van de huisarts van

30 november 2009 in het uiteindelijke oordeel van de bezwaarverzekeringsarts zijn meegewogen. Appellant heeft met deze nadere medische informatie niet aannemelijk gemaakt dat zijn klachten en de daaruit volgende beperkingen voor arbeid ernstiger zijn dan het Uwv nu heeft aangenomen.

3.1. Appellant heeft zijn hoger beroep, gelet op het verhandelde ter zitting, beperkt tot de grond dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. Appellant acht de ziektewetrapportage niet consistent en de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet juist en verifieerbaar. Appellant is van mening dat met de vermelding ‘depressieve episode’ en ‘depressieve symptomen en trage psychomotoriek’ geen recht is gedaan aan de door het RIAGG gestelde diagnose.

3.2. Het Uwv is, onder verwijzing naar het in 1.4 genoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts, van mening dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn klachten en de daaruit volgende beperkingen voor arbeid op de datum in geding,

29 augustus 2007, ernstiger zijn dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen, als weergegeven in 2. In dit verband verwijst de Raad nog naar de ziektewetrapportage van verzekeringsarts C.A. Zeelenberg van 8 februari 2008, met daarin onder andere een samenvatting van een eerdere ziektewetrapportage van 12 oktober 2007, waarin is vermeld dat er geen manifeste psychopathologie is en dat sprake lijkt te zijn van een flinke gedragscomponent. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

4.2. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt