Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
11-6294 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om voortzetting van de hulp bij het huishouden. De oudste twee inwonende zoons van appellante kunnen ondanks hun medische klachten in staat worden geacht de huishoudelijke taken te verrichten waartoe appellante niet in staat is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6294 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

13 september 2011, 11/1393 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 28 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. R. Veerkamp, eveneens advocaat, zich als gemachtigde van appellante gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr.Veerkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en met partijen een aantal afspraken gemaakt, onder andere dat mr. Veerkamp van de gelegenheid gebruik kan maken om medische stukken in te dienen. Van die gelegenheid heeft

mr. Veerkamp bij brief van 14 mei 2012 gebruik gemaakt. Het college heeft bij brief van 12 juni 2012 een reactie op de ingediende medische stukken gegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving tot en met 25 september 2010 in verband met haar medische klachten voor drie uur per week hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Zij heeft bij het college op 24 september 2010 een aanvraag om voortzetting van de hulp bij het huishouden ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) in opdracht van het college onderzoek verricht en op 26 november 2010 aan het college advies uitgebracht. Het CIZ is tot de conclusie gekomen dat de oudste twee inwonende zoons van appellante, [M.] (geboren op [geboortedatum]) en [J.] (geboren op [geboortedatum]), ondanks hun medische klachten in staat kunnen worden geacht de huishoudelijke taken te verrichten waartoe appellante niet in staat is.

1.2. Het college heeft de aanvraag bij besluit van 3 december 2010 afgewezen op de grond dat appellante met hulp van [M.] en [J.] in staat is het huishoudelijke werk te verrichten.

1.3. Bij besluit van 17 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat het college zich heeft mogen baseren op het deskundigenadvies van CIZ. Appellante heeft ook geen informatie van een andere deskundig te achten persoon of instantie overgelegd op basis waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het advies. Het college hoefde in de in de bezwaarfase overgelegde stukken geen aanleiding te zien om nader (medisch) onderzoek te laten doen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellante in de bezwaarfase niets naar voren heeft gebracht waarin het college aanleiding had moeten zien om onderzoek te doen naar dreigende overbelasting bij de zonen van appellante en dat ook niet is gebleken dat overbelasting dreigt bij de zonen van appellante. De rechtbank heeft ten slotte het beroep van appellante op de hardheidclausule, neergelegd in artikel 40 van de Verordening Individuele Wmo Voorzieningen 2010 (Verordening), verworpen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 10 van de Verordening bepaalde ten tijde hier van belang dat een persoon met beperkingen niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden komt als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt één of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten. Dit wordt gebruikelijke zorg genoemd.

4.2. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. De in hoger beroep verstrekt medische stukken leiden niet tot een ander oordeel. Daaruit blijkt, voor zover van belang, dat [J.] allergisch is voor huisstofmijt en diverse voedingsmiddelen. Het college heeft in reactie op deze stukken terecht aangegeven dat dit geen nieuwe informatie oplevert aangezien dit al ten tijde van het onderzoek door het CIZ bekend was. In het advies wordt vermeld dat er geen medische reden bekend is waarom [J.] geen huishoudelijke taken zou kunnen uitvoeren. Over [M.] zijn geen nadere medische stukken in het geding gebracht.

4.3. Het hiervoor overwogene betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012.

(getekend) A.J. Schaap

De griffier is buiten staat te tekenen