Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX8719

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
11-1890 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering: geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Op grond van verkregen inlichtingen van de behandelend sector en de eigen onderzoeksbevindingen alsmede de reeds aanwezige medische gegevens, met name de psychiatrische expertise van psychiater, heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht kunnen concluderen dat appellant geen psychiatrische ziekte heeft en dat er dan ook geen reden is om op grond daarvan een ZW-uitkering te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1890 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 februari 2011, 10/3510 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 september 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 40 uur per week bij [werkgever]. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 12 november 2008 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Naar aanleiding van deze klachten en verkregen inlichtingen van de behandelende psychiater van

5 oktober 2009, heeft de psychiater H. Kondakçi op verzoek van het Uwv op 1 maart 2010 een psychiatrische expertise uitgebracht. Nadat appellant vervolgens het spreekuur van een verzekeringsarts heeft bezocht, is hij bij besluit van 25 maart 2010 met ingang van 1 april 2010 hersteld verklaard en is zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per die datum beëindigd. Appellant heeft in dat besluit berust.

1.2. Op 3 augustus 2010 heeft appellant zich opnieuw met dezelfde klachten ziek gemeld. Op 1 oktober 2010 is hij door een verzekeringsarts gezien. Na onderzoek is deze arts tot de conclusie gekomen dat met ingang van 3 augustus 2010 geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 1 oktober 2010 is appellant met ingang van 3 augustus 2010 een ZW-uitkering geweigerd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 oktober 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 21 oktober 2010 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen naar de medische gesteldheid van appellant voldoende zorgvuldig is geweest, aangezien die artsen appellant op hun spreekuur hebben gezien en medische informatie van de behandelende sector bij hun beoordeling van appellants belastbaarheid hebben betrokken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door appellant ingebrachte brief van zijn psychiater van 23 november 2010 een onderbouwing van de gestelde diagnose mist. Volgens de rechtbank zijn de verzekeringsgeneeskundige rapporten daarentegen uitgebreid gemotiveerd en is de diagnose van de behandelend psychiater van appellant onderbouwd bestreden. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden en dus geen reden te hebben om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de uitspraak betwist. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat het medische onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgenomen. Volgens appellant heeft de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende bagage in huis om zich over een psychiatrische diagnose te kunnen uitlaten. Appellant blijft er dan ook bij dat hij ten onrechte geen ziekengeld heeft gekregen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In het geval van appellant is dit de functie van productiemedewerker voor 40 uur per week bij [werkgever].

4.2. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medische onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Op grond van verkregen inlichtingen van de behandelend sector en de eigen onderzoeksbevindingen alsmede de reeds aanwezige medische gegevens, met name de psychiatrische expertise van H. Kondaçi, heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht kunnen concluderen dat appellant geen psychiatrische ziekte heeft en dat er dan ook geen reden is om op grond daarvan een ZW-uitkering te verstrekken. In de rapportage van 30 november 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts overtuigend gemotiveerd aangegeven in de brief van de behandelend psychiater van 23 november 2010 geen aanleiding te zien om een ander standpunt in te nemen. Anders dan appellant kennelijk meent, wordt geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts in voormelde rapportage geen eigen psychiatrische diagnose stelt, maar slechts de bevindingen van de psychiater Kondaçi vergelijkt met de niet onderbouwde diagnose van de behandelende psychiater van appellant in meergenoemde brief van 23 november 2010. De bezwaarverzekeringsarts stelt bovendien vast dat de behandelende psychiater in oktober 2009 nog uitging van een andere diagnose waarvoor overigens ook een inzichtelijke motivering ontbrak.

4.3. Aangezien appellant in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht die een ander licht op de zaak werpen, leidt hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) M.D.F. de Moor.